woensdag 3 november 2021

Boleten eten

 


Het paddenstoelenseizoen is volop aan de gang. Soms kom je tijdens een wandeling mensen tegen met aan hun arm een mandje waar zorgvuldig een schone theedoek overheen is gedrapeerd. Ze kijken meestal nét de andere kant uit om een begroeting te vermijden en haasten zich steels verder. We hebben het al vaker gemerkt: je paddenstoelenvindplaats deel je niet. Die houd je voor jezelf en je naasten. Jaren geleden, toen ik bij een etentje, naïef als ik was, trots vertelde dat de parasolzwammen in het gerecht gewoon bij ons langs de weg groeiden, legde men de wijsvinger tegen de lippen en siste Mathilde dat je nooit, maar dan ook nooit je vindplaats onthult. Je eigen paddenstoelenplek moet je koesteren. Dus voortaan zwegen wij en lieten de parasolzwam voor wat hij was, zo lekker was hij nu ook weer niet.

We eten wel eens een kip uit de oven bij B(r)oer en ik trof daar in de saus zwarte sliertjes. Wat was dat voor griezeligs? Moest je die opeten? Er werd licht meewarig geglimlacht. Het betrof hier één van de smakelijkste paddenstoelen van Frankrijk, de chanterelle. Niet te verwarren met onze cantharel, want die is helemaal goudgeel en heet hier Girolle. De Chanterelle heet in het Nederlands ‘Hoorn van overvloed.’ Of misschien ook niet, in de paddenstoelennaamgeving is de laatste jaren veel gewijzigd.  Desalniettemin, prachtige naam. Toen ik er voorzichtig van proefde moest ik toegeven: zeer smakelijk. De daaropvolgende uren hield ik nauwlettend de situatie in mijn ingewanden in de gaten maar behalve misschien wat extra boertjes gebeurde er niets alarmerends. En de volgende ochtend werd ik ook net als altijd weer wakker.

We waren dan ook zeer vereerd toen we door nicht R. en haar vriend P. werden uitgenodigd op een zondagmorgen paddenstoelen te gaan plukken op de Geheime Plek van P. Compleet met mandje (te klein, vond P. maar je wilt ook niet gulzig overkomen, natuurlijk), speciaal paddenstoelenmesje, laarzen en regenkleding gingen we op pad. Het was uitstekend paddenstoelenweer, zacht, stormachtig en het regende pijpenstelen. Heerlijk zo, struinen door het bos! We reden eerst tijd met de auto door het woud en plotseling stonden we stil. We waren er. Na een korte instructie werden we erop uit gestuurd Chanterelles te vinden. De te kleine lieten we staan. We ontwikkelden al snel het juiste oog voor deze toch vrij onopvallende paddenstoeltjes en de mandjes vulden zich. We zagen ook wel andere paddenstoelensoorten maar we hielden ons bij de veilige chanterelles. In onze jacht drongen we steeds dieper het woud in. Het had iets oerwoudachtigs, oud, niet onderhouden, een rijke vegetatie, prachtig.

Na een uur hadden we genoeg, en passant vonden we ook nog wat eekhoorntjesbrood en vervolgens gingen we weer naar huis. Een deel van de oogst aten we met de familie direct op, gebakken met stukjes kalkoenfilet, flink wat knoflook en zure room. Er werden grote plakken gebakken aardappel bij geserveerd. Zó lekker! De avond daarop maakte ik er een overheerlijke omelet mee en de rest is gedroogd in de dehydrator.

Vandaag dronk ik koffie bij Mathilde. Ze vertelde dat ze gisteren in het bos geweest was, met zoon en schoondochter en een vriend uit het dorp. Ze hadden bijna niks gevonden. ‘Waar?’ vroeg ik achteloos. Ze vertelde het me. Het woud is groot, maar ik wist waar ze had gezocht. De werkster die even was aangeschoven voor een bakje koffie was ook wezen zoeken. ‘Niks, drie kleine cèpes.’ Even streden de waarheid en ‘m verzwijgen om het hardst. Toen zei ik dat wij er met P. waren geweest. Oh, P! Die had zoveel verstand van paddenstoelen! Hij ging ook altijd diep het bos in, vond Mathilde. Zij zocht dichter bij de weg, lees: ze speurden al rijdend  in hun auto vanuit het open raampje de bosrand af. Mijn romantische idee van ‘iedere Fransman zijn eigen plukplek’ verdampte daar in het stralende herfstzonlicht. 

Het is jammer, maar niet anders: met zoveel kapers op de kust en maar een beperkt aantal bossen is dat dus eigenlijk gewoon gezwam.