zaterdag 20 juni 2020

Caravan kopen




Hoofd Aankoop vindt dat de caravanverkoopster lijkt op ‘die mooie blonde uit Casa de Papel’ en daarmee heeft ze de strijd natuurlijk al bijna gewonnen. Ze laat er geen gras over groeien, trekt niet eens haar regenjas uit, plant ons voor haar grote beeldscherm en biedt ons geen koffie aan. Een mondkapje draagt ze niet, dus wij doen die van ons ook opgelucht weer af.

Ik heb een uitdraai van hun website bij me met daarop een tweedehands caravannetje van het formaat dat wij maximaal willen hebben. Ze weet binnen drie seconden te melden dat die is verkocht. Ze buigt zich over haar bureau om ons recht in de ogen te krijgen: was het de prijs die deze caravan aantrekkelijk maakte of is het type caravan de eerste keuze. Dat laatste is het geval. Ik krijg mijn chauffeur maar met moeite aan het rijden met een caravan en het oude beestje dat we nu hebben heeft vanaf het begin af aan zijn afkeer alleen maar aangewakkerd. Dus het moet ook absoluut geen centimeter groter kavalje worden dan 4 meter.

De volgende vraag is wat onze auto mag trekken. Veel, maar daar draaien we een beetje omheen. ‘Het is namelijk zo, ‘zegt ze streng,’ dat de meeste mensen een te grote caravan achter hun auto willen hangen. ‘Et ça, je ne supporte pas!’ Ik ben blij dat wij dat niet willen.  Ze vertelt ons nu dat ze  helemaal verslingerd is aan caravans en daarom ook de volle verantwoordelijkheid draagt van de juiste keuze voor de juiste auto. Ze moet ook wel met haar klanten door één deur kunnen. Ze praat over die klanten alsof het haar vrienden zijn.  Ondertussen wordt ze voortdurend gebeld en slaagt ze er in de gesprekken precies zo kort te houden dat je als live klant niet het gevoel krijgt dat je er een beetje voor de kat z’n viool bij zit. Praktisch elk gesprek wordt beëindigd met vele kussen en enthousiaste liefdesbetuigingen.

Inmiddels heeft ze uit de schijnbaar ordeloze stapels papieren en folders de Caravelair brochure te pakken met daarin een wel héél verleidelijke lente-aanbieding van precies het type caravan waar wij naar op zoek zijn. En laat die nu ook gewoon buiten op het plein staan! Voor we het goed en wel doorhebben staat zij al bij de deuropening van haar kantoortje en even later stappen we met gezwinde spoed naar buiten. En daar staat hij, onze toekomstige reisgenoot. Zal het dan toch nog gebeuren, dat wij een spiksplinternieuwe caravan gaan kopen?

Ze opent de deur en laat ons binnen. Tja. Nieuw, fris, bedlampjes, riant vast matras, alles topmodern (wordt even wennen), prachtig badkamertje (ze laat zien hoe je de boel kunt opklappen) en spreekt ons toe als we onderling wat dingen bespreken: ‘Ik ben hier hè? Vragen stel je niet aan elkaar, maar aan mij!’ Ze is dol op kleine caravans. Ze verkoopt ze het liefst. Kijk, er zit een vijfliter warmwatertank in, hoe gaaf is dat….’ We lopen er nog eens omheen. Wijselijk laat ik het eindoordeel over aan aan D. ‘Ça vous plait?’ Ze ziet heus wel dat we ervoor vallen. Ze vindt het nog even nodig om ons erop te wijzen dat de caravan waar we voor kwamen acht jaar oud was. We knikken.
Maar dan wil ik het toch nog even over de prijs hebben. Ik moet zeggen, ik vraag het heel voorzichtig want ik zie die bos krullen alweer woest heen en weer schudden. Ze knijpt haar lippen op elkaar, rukt het papier met de prijs en specificatie van de caravan en vraagt ons haar te volgen. In lichte draf gaan we achter haar aan. Ze bespuit haar handen nog even met gel, een detail waarvan ze weet dat wij dat zullen opmerken.

We zitten weer in het kamertje. Ze buigt zich naar me over en begint een verhaal dat ze NOOIT, nee, NOOIT korting geeft. Liever biedt ze een cadeau aan. Willen we een TV? Nee, we willen geen TV. We kijken nooit TV als we op vakantie zijn en dat willen we zo houden. Ze draait haar ogen naar boven. Dan komt het voorstel om het kentekenbewijs en alles wat daar bij komt kijken voor haar rekening te nemen en wat er dan overblijft van de prijs af te halen. Dat vinden we goed. ‘En dat doe ik alleen maar omdat u het zo heel vriendelijk gevraagd heeft, die korting! Er komen van die kerels die meteen beginnen om korting te vragen, daar ga ik HELEMAAL niet op in.’ Vuurspuwend begint ze driftig op haar toetsenbord te tikken. ‘En ik doe dit alleen maar omdat u het zo áárdig vroeg.’ We zitten elkaar een beetje beduusd aan te kijken. Maar daar is de stralende lach weer, we moeten wat informatie aanleveren, uiteraard weer het bewijs van domicilie, paspoorten etc. Bijna alles kan ik direct aan haar doormailen, ze vindt het FANTASTISCH. Ik betaal met mijn telefoon en dat heeft ze nog nooit meegemaakt dus ze maakt een foto van mijn betaling (voor de baas) en we spreken af wanneer we onze caravan gaan halen. We moeten wel stipt op tijd komen, want ze trekt een uur voor ons uit. Geen idee waarom die afspraak een uur moet duren, maar volgens haar zijn er nog een hoop dingen te bespreken.
Nu alles is afgehandeld staan we op om te vertrekken. “Ik breng u naar de uitgang!” Daar aangekomen bedanken we elkaar en wuift ze ons uit met kushanden.

De volgende ochtend stuur ik haar nog een paar noodzakelijke gegevens via de mail. De reactie komt binnen vijf minuten: MERCI BEAUCOUP C EST PARFAIT !!! BON JOURNEE A VOUS DEUX!



Ik verheug me nu al op volgende week.

woensdag 3 juni 2020

Arabella




Ik zit op de bank tv te kijken en dan gebeurt het. Vanuit een ooghoek zie ik iets bewegen. Het wordt snel groter, ik hoor het nu ook, het rent dwars de kamer door, van de ene hoek naar de andere. Ik heb al uit puur instinct m’n benen opgetrokken. Het duurt even voor ik zeker weet dat het weg is. Zich weer verstopt heeft op een plek waarvan je hoopt dat het er zal blijven. Voorgoed.

Ik heb er eens één met trillende handen en ingehouden adem gevangen in een jampot en ‘m op tafel gezet om naar te kijken. Dan werd hij vast minder eng. Maar nee. Mijn oerinstinct zei me het beest te vermoorden. Dat deed ik dan weer net niet, ik kiepte het potje achter in de tuin om en rende hard weg, zonder achterom te kijken.

En toch trad er in de jaren die volgden gewenning op. Zeker is, dat ze er altijd zijn, of jij ze nu wel of niet wilt zien. En behalve hun afzichtelijke uiterlijk hebben ze wel iets dat onze waardering kan verdienen: ze vangen insecten die wij hinderlijk vinden: (steek)vliegen en muggen. Je kunt in de weer met vliegenmepper en plakstrips, of nog veel kwalijker middelen, maar zo’n eigen terminator is natuurlijk wel top.
Het begon ermee dat ik op sommige plekken de webben liet hangen. Behalve dat het vaak onvoorstelbaar mooie objecten zijn, zitten ze je doorgaans ook helemaal niet in de weg, Onder een kast, in de tuin, in een hoek van het plafond, plekken waar je er eigenlijk geen last van hebt.  Het vereist omdenken én tijd, maar op een dag is het dan zover: je realiseert je dat je die primitieve moordlust waar het deze achtpotige griezels betreft voorbij bent en dat het fascinerende schepsels zijn. Bondgenoten in de strijd tegen echt lastige steekbeesten. Én dat deze vriend(inn)en een hoop van hun afschrikwekkende uiterlijk verliezen als we ze een naam geven.

En zo kwam het dat Arabella, de kelderspin die zich eind januari vestigde tussen de chaudière en het raamkozijn in, mocht blijven. Ze had een klein web geweven tussen haar schuilplaats en de vitrage van het raam. Als we in de buurt kwamen schoot ze schielijk haar hol in en kwam ze er voorlopig niet uit. We vroegen ons af wat ze at, zo in de winter. Veel kon het niet zijn. Tijdens het confinement verbleven we acht weken in Nederland en bij terugkeer in Normandië was Arabella er nog steeds, onveranderd. Wel had ze haar web flink uitgebreid en hing er een met zijde gesponnen zakje met slachtoffers in.

In de weken die volgden raakte Arabella aan ons gewend en schoot ze niet bij iedere beweging in de stress. Op een ochtend hing er een prachtig glanzend wit eivormig bouwsel en wij dachten: ‘ze krijgt baby’s!’ Maar nee, een paar dagen later waren er gaatjes in het ei te zien en bleek ook dit spinsel een voorraadkast. 




Inmiddels maakt Arabella dus al zeker een half jaar gebruik van haar hoekje in onze keuken. Haar onbewegelijkheid zorgt ervoor dat ze het maanden kan uithouden op weinig voedsel. Haar leven lijkt ons uiterst saai. Zo nu een dan een vlieg vangen moet wel een hoogtepunt zijn. ’s Nachts bouwt ze verder aan haar web, dat nu de hele onderkant van de vitrage beslaat. Tot onze verbazing heeft ze er, om er gemakkelijk bij te kunnen, een poort in de franje geweven. Denk eens in, de sublieme gedachtegang die de speldenknop hersens van het dier gevolgd moet hebben om dit voor elkaar te krijgen. Geen haar op mijn hoofd die er nu nog aan denkt om dit fraaie bouwsel te vernietigen.
Inmiddels is er in de gang boven de kapstok een meneer neergestreken. Zijn naam is Maurice. Wij laten de keukendeur openstaan en hopen op fysiek contact. Zeker is dat Arabella’s poort voor hem openstaat. Hoe Maurice het er daarna van af gaat brengen hangt van zijn snelheid af, maar voor het einde van de zomer verheugen we ons op een pluizenbol vol nakomelingen. Zo schattig.



dinsdag 26 mei 2020

Le canapé de mon père




Rond het jaar 2000 schafte mijn vader een nieuw bankstel aan. Na het overlijden van mijn moeder enkele jaren eerder had hij een nieuwe vriendin met een moderne smaak en zo kon het gebeuren dat hij een loeiduur, eigentijds stel met een drie-, een twee-en-halfzits bank en een hocker aanschafte van roodbruin leer. We vonden het geloof ik allemaal mooi, al vraag ik me achteraf af of ik geen commentaar had op dat leer. Praktisch was het wel, met een stel voor een deel nog jonge kleinkinderen en op enig moment ook vier honden als iedereen er was.

In 2003 kocht mijn vader het huis, dat tot dan toe in bezit was van B(r)oer, in Normandië. De voorwaarden waren dat Hoofd Verbouw en ik samen verantwoordelijk waren voor het opknappen en aankleden van het huis en met hulp van vrienden lukte dat in een sneltreinvaart. Dat verbouwen en behangen en schilderen was allemaal onze taak, mijn vader was van het opruimen en vuur stoken. Nooit heb ik hem vergenoegder gezien dan in die periode dat we daar met z’n allen aan het werk waren. Hij stopte zijn pijp, greep een hark en ging aan de slag. Hij had wel op sommige punten een wat andere insteek over hoe alles met name rondom het huis eruit moest zien. Zo vond hij een oud, vervallen stalletje dat een 100 meter verderop in het land stond een storend element in het beeld vanaf het huis, dus dat moest worden opgeruimd. Wij vonden dat juist wel authentiek maar ach, we lieten hem maar begaan. Hij had er zoveel plezier in de boel daar aan kant te krijgen.





Een nicht van hem overleed en uit de boedel kocht ik een authentiek Frans bankstel van gestreept gouden pluche met franje. Het stond perfect in de salon maar het zat voor geen meter. Dat geef ik nu toe, toen, vanwege het mooie plaatje, natuurlijk niet. Als pa en z’n vriendin kwamen zaten ze op comfortabele tuinstoelen in de keuken, want het haardvuur in de salon kregen ze ook niet aan zonder dat de hele kamer blauw stond. Maar, verder vond hij het allemaal prachtig en er was geen groter plezier denkbaar dan dat we daar allemaal tegelijk waren om te eten, drinken en te spelen.
Hij overleed in 2009 en het was voor ons geen enkele vraag wat er met La Noblet moest gebeuren: dat bleef in de familie. Zo werden mijn twee broers en ik eigenaar.


Bij het uitruimen van zijn woonhuis bleven we zitten met het bankstel. Niemand wilde het hebben, we hadden allemaal al een bank. Ik zette het op MP en er reageerde een vrouw die wel wilde komen kijken. Ze kwam met de bus uit een belendend dorp en had haar dochter van een jaar of 9 bij zich. De vrouw stak zodra ze binnen was een sigaret op, wierp nauwelijks een blik op het bankstel en bood de helft van onze vraagprijs. Meer kon ze niet betalen. Haar dochter klom op een van de banken en begon er op te springen, met haar schoenen aan. De moeder stond er glimlachend naar te kijken, ik vroeg het kind daarmee op te houden. Hier zei de moeder iets van en toen zei ik: ‘Ik wil jullie hier niet in dit huis hebben, ga weg.’ Ze begon nog te piepen over de bijstand en het kaartje voor de bus en ik heb haar 20 euro gegeven om op te rotten.

En zo kwam het bankstel toch in onze woonkamer te staan en bleek het wonderwel te passen. Het kon overal tegen. We hadden eens een nest pups, dat we op een gegeven moment kwijt waren (zeven stuks) en die bleken zich in een gat aan de onderkant van de hocker verstopt te hebben waar ze heerlijk lagen te slapen. De honden konden languit liggen of op de rugleuning zittend naar buiten kijken en je kon er met gemak met z’n vijven op zitten, het was voor ons gemaakt.
Tot we naar Frankrijk gingen verhuizen. 

Daar stond al jaren de bank die voor dit stel had moeten wijken. De grote leren bank moest nu echt weg, de kleinere paste in ons pied-à-terre. Daar stond hij twee jaar in. Om ook de kleinkinderen eens te logeren te kunnen hebben besloten we tot aanschaf van een slaapbank. Onze roodbruine bank stond nu buiten onder een afdak en er kwamen mensen via MP kijken. Om ‘m voor verkoop aantrekkelijk te maken hadden we de bank gepoetst met schoensmeer, hij zag er prachtig uit. Het waren hele áárdige mensen en ik gunde ze mijn bank.  Maar helaas, de kleur die ze in gedachten hadden was het niet.  En toen zei ik tegen Hoofd Logistiek: 'kunnen wij ‘m niet meenemen naar La Noblet?' Wij hebben een ruime VW Caddy en de bank met de hocker paste precies. Maar er bleef wel weinig ruimte over. Ik denk niet dat we ooit zo volgepropt op reis zijn gegaan.
En nu staat de bank, met de hocker waarop we allebei naast elkaar onze benen kunnen leggen in de salon. Het is er maar een beetje voller van geworden. We moeten nu wel een muur schilderen en er moeten nieuwe gordijnen komen, maar dat moest toch al.

Vandaag tekenen we het koopcontract voor La Noblet. Op dezelfde dag tekenen Oudste Dochter en Vriend voor hun nieuwe woning. En ik weet zeker dat er ergens een man tevreden z’n pijpje stopt, een glas rode wijn inschenkt en met ons proost op de aanschaf van dit bijzondere huis. Wie weet zit hij straks wel op de canapé als we terug komen van de notaris. Ik hoop het.

donderdag 14 mei 2020

Lock down




Na acht weken in Nederland te hebben doorgebracht staan we voor de Franse grens. De marechaussee kijkt ons met licht vooruitgestoken borst vorsend aan maar bezwijkt bij het zien van ons van Belangrijke Stempels voorziene document van de burgemeester, die ons als inwoner van zijn dorp beschouwt en ons daarmee de vrijgeleide gaf naar huis te rijden.


‘Ça marche,’ wordt de gezagsdrager opeens een aardige jongeman die ons ook nog bon voyage wenst. Uit het zicht geven wij elkaar een high five. Was toch wel een beetje spannend, ook in België werden we argwanend bekeken. Men vroeg of we voedingsmiddelen aan boord hadden. Spontaan verzwegen wij de potten pindakaas, pakken hagelslag en vanillevla die voor onze Franse familieleden bestemd waren. Er werd verder ook niet gecontroleerd, dat had verregaande consequenties kunnen hebben met een twee-en-halfzits canapé mét hocker aan boord en dan de rest zó logistiek ingepakt dat zelfs de blauwe bessenstruiken en andere planten de reis ongebroken konden doorstaan.

In de lente en zomer is het altijd heerlijk bij licht aan te komen en wat we zien valt niet tegen. Het grootste deel van het gras is gemaaid en de viooltjes lachen ons met hun blije gezichtjes toe. De stokoude roos die ik in maart angstig heel kort had gesnoeid op advies van experts, heeft zich daar zo tegen verzet dat zij, meters lang en zwaar beladen met bloemen (bloeiden rozen vroeger niet pas in juni?) voorover op het gazon ligt. Dat wordt klus 1, morgenochtend. De wisteria heb ik alweer niet zien bloeien en van de blauwe morgensterren, vorig jaar in grote aantallen aanwezig, is er nu nog één over. De paars bloeiende Verbena heeft het overgenomen. 



De moestuin is verdwenen, in de kas valt het mee. We gaan eerst maar eens soep eten bij B(r)oer en zijn gezin. Geen knuffels, geen zoenen, zeker voor Fransen is dat toch een hele opgave. Giechelig geven we elkaar een elleboogstoot, iets van fysiek contact heb je toch nodig.

De lockdown, met één student en één net afgestudeerde architect daar in huis heeft voor mooie dingen gezorgd: op tal van plekken zijn er stukjes moestuin en er is een grote kas geplaatst waar mooie bedden gemaakt zijn voor tomaten, courgettes, meloenen, komkommers, noem maar op. De oogst zal enorm zijn! Zo bijzonder hoeveel aardigheid neef en nicht er aan hebben hiermee bezig te zijn, ook hun moeder is er heel blij mee. Wie weet hoe zich dit allemaal nog gaat ontwikkelen.
We slapen heerlijk en dag 1 in La Noblet staat in het teken van het opbinden van mijn roos, het terugvinden van de moestuin, het klaar maken van de kas voor ontvangst van tomatenplanten en meloenen en natuurlijk ook in etappes het gras maaien, bij B(r)oer chatten met Orange omdat ons internet niet werkt en weer aan het huis wennen. Waar lagen ook alweer…….Aan het einde van de dag zijn we uitgeput. Maar wel lekker. We slapen weer als rozen.

Op dag 2 staat er al om half negen een gemaskerde man voor de deur. De problemshooter van Orange deelt ons mee dat alles weer werkt. Om wat voor reden dan ook bleek onze kabel losgeschroefd te zijn van het hoofdnetwerk. Hij begrijpt er niets van. Leuk, dat zo’n man ook wel eens iets niet begrijpt. Maar dat het werkt is natuurlijk heel fijn. Vooral omdat ons pas op 15 mei een monteur was beloofd.

’s Middags rijd ik naar Orbec voor de boodschappen. De karren staan zonder schoongemaakt te zijn onder hun abri. Iedereen die wel eens in Frankrijk is geweest weet dat daar mensen wonen die je in Nederland eigenlijk nooit ziet.  Mensen (meest mannen) van een onbestemde leeftijd tussen de 40 en de 80, in vieze en vaak gescheurde kleren (en dan bedoel ik echt vies, overal), hun voeten zonder sokken in kapotte gymschoenen gestoken, handen met zwarte nagels en die staan dan een tijdje bij die karren te klungelen voordat ze er één uitgetrokken hebben. Ik kan er niks aan doen, ruim acht weken geleden vond ik het eigenlijk helemaal geen probleem en nu trek ik gelijk m’n flesje handgel uit m’n tas om de boel eens lekker te ontsmetten. Bij de ingang zit een slimme onderneemster zelfgemaakte mondkapjes te verkopen. Ik groet haar vriendelijk, ik doe niet mee aan die verstikkende onzin. Zeker de helft van de aanwezigen in de winkel is het niet met me eens en draagt wel zo’n nattig lapje. Daarom houden ze verder ook nergens rekening mee, laten hun kar ergens staan of reiken voor je langs naar een zak aardappels. Rijst en suiker zijn grotendeels op, ik heb het idee dat de pasta’s fors in prijs gestegen zijn want daar liggen er nog best veel van. Overal hangen A4tjes met daarop de mededeling: aanraken is kopen! Maar ja, ik wil toch echt even voelen of de camembert wel rijp is. De logistiek in de winkel is verder keurig geregeld. Aansluiten op anderhalve meter, kassières met mondkapje en handschoenen én handgel tussen iedere klant. Ik word er een beetje verdrietig van. Ik was al niet zo dol op boodschappen doen en dit maakt het allemaal alleen nog maar erger. Ik hoop dat ik genoeg eten en drinken heb ingeslagen om tenminste een week door te komen zonder supermarktbezoek. 

Weer thuis heeft Hoofd Groen ook het laatste stukje van de moestuin blootgelegd en kan ik ‘m na egaliseren en wat mest gaan inrichten. Hij kan zijn werkzaamheden hervatten met het Eden-project, van een stuk braambos een voedselbosachtig paradijsje te maken, met natuurlijk genoeg plaats om daar ook leuk te kunnen zitten. Want, zoals in onze familie gevleugelde woorden zijn: ‘Het is al wat, maar het wordt ongetwijfeld hartstikke prachtig.’  Het lijkt er soms op dat het leven een loopje met je neemt, maar je hebt er zelf nog steeds een hoop over te zeggen. Of mee te doen. 



dinsdag 10 maart 2020

Een week in de Algarve


De hoogbejaarde eigenares van de authentieke koffietent waar we zijn neergestreken, komt beverig de koffie die we binnen bij haar besteld hebben brengen. Ze lacht haar op drie tanden na lege mond breed en groet ons. Later, als ik ga afrekenen, legt ze een twee euromunt en een halve op haar vlakke hand om mij uit te leggen wat ik haar schuldig ben. Ik geef haar drie euro, dat is te veel en dat wil ze teruggeven, ik wuif dat het zo goed is, de man aan de bar zegt iets tegen haar op een toon die doet vermoeden dat hij haar zoon is en ze zwaait me uit, abrigado!





Memorabel, zo’n belevenisje in een verder voor een groot deel volgebouwd en op toeristen ingestelde Algarve. We brengen er voor het eerst een week door en genieten van de ongekende heerlijkheid van een zacht klimaat en een schitterende zon na weken grauw en regen. We verblijven in de luxe ‘Quinta Bela Vida’ in de buurt van Olhos d’ Água. De gastheer is chefkok en maakt voor ons de heerlijkste gerechten, het huis is op een heuvel gelegen en biedt rondom een prachtig uitzicht. Het is wel ongeveer het meest luxueuze verblijf dat we ooit hebben meegemaakt. Olivier is gastheer tot in zijn vingertoppen en heeft oog voor ieder detail zonder erg nadrukkelijk aanwezig te zijn. Heel bijzonder.


Natuurlijk maken de Portugezen dankbaar gebruik van wat hun zo in de schoot geworpen is: schitterende stranden, prachtige kliffen en leuke haventjes. En de daarbij behorende relaxte sfeer. Je voelt je iedere dag wat meer ontspannen. Hoewel nog net winter is het er gezellig druk, met vele overwinteraars. Inmiddels heeft men ook begrepen dat hoogbouw minder fraai staat en worden er lage appartementencomplexen gebouwd waar je voor Nederlandse prijzen een condo kunt kopen. De camperplaatsen en de campings die we onderweg zien staan grotendeels vol met mensen die op een andere manier overwinteren. Mogelijkheden te over.




Tussen de middag schuiven we aan in de lokale visrestaurants waar je vis eet die ’s ochtends nog in zee zwom. Zo ook in Fuzeta, een levendig vissersplaatsje met een volle camping overwinteraars en vele smalle straten die naar de kerk en het enorme kerkhof leiden. Een experimentje met inktvis is minder geslaagd, hoewel vers gegrild is dit beest nog het best te vergelijken met een stel in elkaar gedraaide postelastieken. Maar goed, meestal valt het mee.



Een reisje naar het einde van de wereld, de Kaap São Vicente, is ook een hoogtepunt, het waait er zo hard dat je bijna opstijgt en de zee beukt op de rotsen. Later belanden we in een visrestaurant boven de visafslag. Het is er vol lokale bevolking en we eten er voortreffelijk.

De laatste dag luieren we wat rond de Quinta. Daartoe zijn we nu in staat: go with the flow, die dit land zo onnadrukkelijk uitstraalt. We lopen naar een molen door de sinaasappelboomgaarden, waar de bomen zowel bloeien als oogst dragen.  Zoals het hoort na een mooie vakantie willen we eigenlijk niet weg. Maar we hebben nu van Portugal geproefd en er zijn vast nog meer smaken. Dus: adeus!





zondag 26 januari 2020

Nieuw jaar




We keren na zeven weken NL terug in La Noblet. De hele weg hebben we zon tegen en we komen nog nét bij licht aan. In de keuken hebben muizen huis gehouden, B(r)oer heeft er wel enkele gevangen maar een pittige graver heeft een iets diervriendelijker weg uit de keuken proberen te vinden. In D’s bureau zijn wat papieren aangevreten, waaronder eentje met precies op het knaagincident een belangrijke inlogcode. Maar goed, het kan veel erger, alle voorraden zijn, in hun veilige plastic containers, onaangetast.

Het is weer even wennen, die stilte. Heel veel veranderd is er niet, of het moest het gras zijn, dat flink gegroeid is. Ook hier is er nauwelijks sprake van winter, ‘s nachts zweeft de temperatuur rond het vriespunt. De andijvie-achtige plantjes die ik al in oktober gepoot heb zien er nu uit als echte andijvie, alleen wat klein. Er lijken ook een paar kroppen echt helemaal afgeknabbeld te zijn door konijnen of reeën? Maar goed, een stamppotje rauwe andijvie is er wel van te maken.



 


De volgende dagen is het druilerig en mistig. Het nodigt niet uit tot veel activiteit buitenshuis, hetgeen niet echt erg is want ik kan nu gestaag doorwerken aan P&M. We slaan de markt op dinsdag over, het regent. Woensdagavond zijn we uitgenodigd bij Mathilde, waar we samen met Nadine en Roger een maaltijd gaan opeten die het resultaat is van een kookles bij een chef in Argentan. Het ziet er allemaal prachtig uit en het voorgerecht smaakt navenant. Er wordt een heerlijke wijn uit de cave van Mathilde bij geserveerd. De dames staan beide over de pannen gebogen en nu vang ik zo nu en dan het woord ‘andouille’ *op. Ik besluit ter plekke nergens moeilijk over te doen, maar het gerecht gewoon op te eten en er niet aan te denken wat ik doorslik. Maar, tot mijn verbazing is het eigenlijk best lekker. Als iets met zoveel aandacht en liefde wordt klaargemaakt, moet je het wel lusten. Het toetje dat ik had meegenomen valt gelukkig ook in de smaak (perentaart met frangipane) dus deze avond kan weer in het rugzakje, zou Els wel zeggen.

We hebben aan twee kanten van het huis vetbollen en aanverwant lekkers voor de vogels opgehangen maar het kost dagen voordat ze het ontdekken en dan nog weer veel moed om er ook aan te beginnen. Maar gaandeweg wint de honger het van de angst en komen er meer vogels een kijkje en een hapje nemen. Veel variatie zien we nog niet, maar wie weet.


Inmiddels heeft Ronja na haar gebroken poot de werkzaamheden met betrekking tot de muizeneliminatie hervat. Dat graven gaat als vanouds goed, al blijft ze nog steeds kreupel lopen. Als op zaterdag de lucht opeens opklaart en je voorjaar in de lucht ruikt zijn de dames weer uren vertrokken. Tijd ook om het huis eens een flinke beurt te geven. Daarbij stuit ik op honderden leeg geknaagde lindeboom-zaadjes achter een gat in het kozijn van de voordeur. Wat is hier gebeurd? Een muizenorgie?  Ook heeft een muis voor de tweede keer de bureaulade gevonden en papier in kleine stukjes geknaagd. Ik vind wel een muis in de val in een kast, de komende dagen zal blijken of dat dezelfde is geweest.

Aan het eind van de middag wandel ik mijn HeenenWeertje naar de ‘doorgaande’ weg. De lucht is fris en helder, de ondergaande zon kleurt de akkers, tussen de hagen kruipt de nevel tevoorschijn. Het was even wennen, maar nu weet ik het weer.

Andouille is van oorsprong orgaanvlees van varkens. Bij verschillende variëteiten worden delen van het maagdarmsysteem van het varken (maag, dunne darm en dikke darm) gebruikt, wat het gerecht  een typerende smaak geeft die niet door iedereen als aangenaam wordt ervaren. De worst heet andouillette, die is eveneens van ingewanden gemaakt. (met dank aan Wikipedia, ook de zeer beschaafde omschrijving van de ‘typerende smaak’).


donderdag 21 november 2019

Een stukje lopen





Ik had natuurlijk gewaarschuwd moeten zijn, toen ik de auto parkeerde bij het vertrekpunt van de wandeling die ik samen met Luus ging maken. Ik had een prachtig mapje wandelingen aangeschaft bij de OdT in L’Aigle en er een wandeling van 5 km uitgekozen op niet al te grote afstand van huis. Er stond geen waarschuwing in tegen mogelijke jagers, dus Luus hoefde haar fluorescerende jasje niet aan. Volgens de eerste aanwijzing moest ik vertrekken vanaf het ‘panneau de départ’. De borden die ik vond verkeerden in verregaande staat van ontbinding, maar ze waren nog nét te lezen. Ach, wat kon me gebeuren, gewoon de gele strepen volgen en voor de zekerheid de folder met wandeling mét kaartje in de zak.

Maar volgens goede Franse gewoonte ging het al na een paar honderd meter mis. Dankzij de kaart was ik wel de goede kant uit gelopen, maar wat volgens de instructies een onverhard weggetje zou moeten zijn was inmiddels geasfalteerd en ook naambordjes die de route moesten verduidelijken ontbraken. De rondwandeling kruiste twee keer de A28, niet een weg om zomaar even over te steken, dus ik was heel benieuwd hoe we dat gingen oplossen. Kaart zo gedraaid dat ik snapte hoe ik verder moest en niet gehinderd door énige gele streep arriveerde ik tot mijn stomme verbazing na twee km bij een onderdoorgang voor wild. Die verbazing lag meer aan mij dan aan de bewegwijzering, want wat ik had gelezen als kunstwerk (‘un bel ouvrage d’art) dat ik niet kon vinden en waar ik al erg over had gemopperd, bleek in de praktijk een wildtunnel. 



Eenmaal daar onderdoor wees het pad zich redelijk vanzelf. We passeerden een klein kapelletje. Ik was er best trots op dat ik dat helemaal op eigen kracht bereikt had want ook hier vond men het wel gebakken met die gele strepen. Ik stak de weg over, er was maar één pad dat pittig steil omhoog liep (dat stond ook in de beschrijving) en we kwamen langs een geheel overwoekerde woning. Er stond een brievenbus voor waarvan de klep ontbrak maar die nog wel op slot zat, al had iemand hem wel geprobeerd te forceren.  Ik tuurde door de ontstane opening. Er zat een belangrijk uitziende brief in, gedateerd 5 mei. Ik had zomaar het idee dat er toen ook al niemand meer woonde maar ja, als postbode blijf je op je post. Ik liep nu langs een buurtschapje met grote huizen en gekleurde kinderfietsjes in de tuin. Bij de driesprong volgde ik de route op de kaart en toen, langs een stuk rechte weg zonder enig zijpad stond daar zomaar opeens een gele streep op een boom! 


Dat gaf moed, want nu we weer in de buurt van de A28 kwamen vreesde ik toch wel een beetje voor het vervolg van de wandeling. Die vrees bleek terecht.



Op een boom stond dat ik rechtsaf moest. En hoe ik dat ook bekeek, ik zag geen pad of weg rechtsaf. Ik kon wel de weg naar links vervolgen, dus dat deed ik maar een halve kilometer. Er kwam echter geen zijweg dus ik keerde terug op mijn schreden. Luus keek me wat ongerust aan. Het zou zomaar kunnen dat ’t arme dier best al wel een beetje moe was, ze is al elf en ze heeft de afgelopen weken niet veel training gehad. Net als haar mens, overigens, die nu begreep dat ze terug zou moeten keren en op zoek moest naar de Départementale. Na een keer vergeefs een oprit te hebben opgelopen kwamen we uiteindelijk uit op de D12. Nu moesten de laatste kilometers langs de weg gelopen worden, daar heb ik altijd een pesthekel aan. Ondertussen had ik al een heel betoog gecomponeerd om mijn beklag te gaan doe bij de OdT over wéér zo’n wandeling waar geen hout van klopt. Maar iets zegt mij dat ik met mijn commentaar de handen niet echt op elkaar zal krijgen.  Laat staan dat er op de planning voor volgend jaar het nalopen van de wandelingen uit het gidsje van de Pays d’Ouche Nord zal staan.

Overigens ken ik een wandeling rond een buurtschapje in Salland, waar je jezelf met een pontje over de beek kan trekken om aan de overkant weer verder te wandelen. In de loop der jaren heb ik het pontje langzamerhand één zien worden met zijn omgeving. De laatste keer dat ik er was het pontje half gezonken in het geboomte en was het touw doormidden.  Toen je nog wel naar de overkant kon werd het ook geheel aan je eigen initiatief overgelaten hoe nu verder. Dus enige ervaring met mislukkende wandelingen is mij niet vreemd. 

Dus nu kan ik ze daar in L’Aigle wel over de balie trekken, maar dan heb ik boter op mijn hoofd. Eerst binnenkort maar eens checken hoe het nu zit, met dat pontje. Of het alweer functioneert. 
En dan, na nog wat randonnées hier ter plaatse, misschien eens voorzichtig opmerken dat het misschien tijd is de wandelingen weer eens op te frissen. Ik wil er best op uit, met een blikje gele verf en een kwast. Wel pas na het het jachtseizoen.