vrijdag 20 mei 2016

Boswandeling



Vorig voorjaar gingen we op een zonnige dag wandelen in ons favoriete natuurgebied in Kring van Dorth met een oud-collega & supervogelaar. Zo’n type dat iets voorbij ziet vliegen en roept: ‘Een bonte vliegenvanger!’ of ‘Kijk daar, een Fitis,’ en je kunt zo snel niet kijken of je  ziet alleen nog een staartje. Tijdens de maaltijd in de tuin ziet en hoort hij ook een ongekende hoeveelheid jou tot dan toe onbekende erfvogels. Hoofd Vogelaar neemt regelmatig gezang op met zijn telefoon en laat dat dan aan hem horen: binnen drie seconden roept hij: ‘Zwartkop!’ ‘Tuinfluiter!’ Ja, nou dat kan iedereen wel zeggen. Gelukkig was zijn vrouw ook mee, dus wij konden het ook over andere dingen hebben.

Hoe dan ook, we liepen door dat bos (‘Wielewaal, kijk d…’) en lieten onze honden los. Dat mag daar niet en dat weten we ook wel, maar zulke blije hondjes voortdurend aan de lijn houden is voor niemand leuk. We kwamen andere mensen tegen, die keurig hun hond wel aangelijnd hadden en ons wat misprijzend groetten. Onze Smouzen stoven zo nu en dan in grote eensgezindheid het bos in om een muis of iets anders dat door het struweel ritselde te grijpen. Ze vermaakten zich kostelijk. We wandelden en babbelden over van alles en nog wat ( ‘Twee vechtende Groenlingen!’). Aan het einde van het pad dat we volgden begonnen de weilanden. Wij dames waren nog wat achter gebleven om een paar bloemen te bewonderen, toen Hoofd Roodwild ons sissend riep: ‘Kijk daar, een ree met een jong!’ Wij renden struikelend naar de bosrand. Inderdaad vloog er een ree met grote sprongen (Capriolus Capriolus) door het hoge gras, op enkele meters gevolgd door haar kalfje. Wat alleen wat vreemd was: het kalfje blafte. Paniek maakte zich van ons meester.  We riepen Ronja om het hardst en gelukkig zag ze in dat deze prooi voor haar een maatje te groot was. Hijgend en om goedkeuring vragend keerde ze terug. Wat ze kreeg was haar riem. En voorlopig houden we ons aan de voorschriften van de bordjes Opengesteld. 


maandag 18 april 2016

Dertig gram verdriet

Hij is nauwelijks vertrokken om de honden uit te laten of hij is alweer binnen. In zijn rechterhand liggen twee stille vogeltjes. ‘Die lagen hier voor op het pad, naast elkaar.’ Ik neem ze over. ‘Ik denk niet dat ze dood zijn, ze zijn gewoon in shock,’ zegt hij dapper. En gaat weer naar buiten.

Vorig jaar raapte ik eens een winterkoninkje op dat tegen het raam vloog. Hij lag met een knikkend kopje voor dood in mijn hand maar opeens kwam er een schelle piep en een poepje en weg was hij.



Nu kijk ik naar de geloken oogjes en probeer de bottige lijfjes weer op te warmen met mijn handen. Maar er gebeurt niks. Hun bonte lentekleding lijkt van dichtbij met een fijn penseel geschilderd op de donzige veertjes. Zoveel kleuren! Zoveel plannen voor dit voorjaar. Niets zal ervan terecht komen. 

Straks, als hij thuiskomt, mag hij een gaatje graven om ze samen in te leggen. 

Twee dolverliefde blinde vinkjes. 

vrijdag 12 februari 2016

Sneeuwklokjes





Lenteboden, noemen we ze, sneeuwklokjes. Sneeuwklokjes bloeien vooral als het nog ijskoud is, dus ‘wintergezant’ klinkt toepasselijker. Er zijn een heleboel soorten en er worden  in het hele land sneeuwklokjesbeurzen georganiseerd, maar mij zult u daar niet zien. Want eigenlijk vind ik het een beetje verdrietige bloemetjes, sneeuwklokjes. Ze hangen zo met hun hoofdjes naar beneden nee te schudden in de wind en als je ze binnen in een klein vaasje probeert te zetten willen ze er altijd voorover uit vallen.

Winterakonietjes, met hun blije, open gele gezichtjes, bloeiend speenkruid, madeliefjes en natuurlijk bonte krokussen en bloeiende maagdenpalm, kijk daar kikkert een mens van op! Dat geeft een lentegevoel! Van sneeuwklokjes krijg ik het alleen maar koud. 

In Frankrijk trof ik tot mijn stomme verbazing hele mooie, vrolijke dikbloemige sneeuwklokjes aan. Die wou ik ook! We gingen een plantenschepje halen en zochten de berm waarin ik ze gezien had weer op.  Er toch niet helemaal van overtuigd of het wel mocht wat ik aan het doen was, probeerde ik het polletje iets te snel  uit te graven. Uiteindelijk had ik een hele hoop blad en de bloemetjes in handen maar zaten de bolletjes nog diep in de Normandische klei. Mission impossible.


In mijn tuin probeer ik de pollen sneeuwklokjes  al jaren wat te decimeren, maar op onverwachte plekken schieten ze toch opeens weer de grond uit. Als het geen sneeuwklokjes waren zou je ze misschien wel onkruid vinden. Ik ben er inmiddels grotendeels in geslaagd ze naar wat afgelegener stukken in mijn tuin te verbannen, zodat ik ze niet zie als ik naar buiten kijk. Die stukken waar we ook alle takkentroep en uitgebloeide pothyacinten en narcissen neergooien. En dan blijkt dat sneue plantje opeens een fiere overwinnaar die zich onder het gebladerte naar boven worstelt en in januari tussen de troep de kop opsteekt. Nog steeds bungelend, dat dan weer wel. 

zondag 7 februari 2016

Griepje




Vooropgesteld dat er natuurlijk héél veel ergere ziekten en nare dingen het leven behoorlijk in de war kunnen schoppen,zal toch iedereen die ooit eens een flinke griep gehad heeft niet ontkennen dat ook dat niet echt kattenpis is. Behalve de symtomen als veel snot, akelige hoestbuien, zere spieren en haarwortels, neemt het soort dromen dat met griep gepaard gaat ook nog eens buitencategorie vormen aan.

Niet alleen springen er voortdurend reeën over mijn Facebookpagina, op enig moment kijk ik ook omhoog langs een lang, bleekbloot been dat ergens in de wolken toebehoort aan een wit bebaarde man, die niet echt vriendelijk op mij neerkijkt. Hij wil echt niet dat ik naar boven klim.  Ik ben ook aldoor onderweg, door sneeuwstormen voortgestuwd op een bontgekleurd sleetje in Jacqueline Lawson winterlandschappen. Vooral midden op de dag een dutje doen nekt je: volkomen gedesoriënteerd word je wakker: je zat toch op Sicilië op dat fraaie terras aan de zee…?

En dan werk. Je slaagt er precies twee dagen in niet in te loggen op je werk en als je dat wel doet, tja, ondanks dat iedereen enorm meeleeft (‘Goed uitzieken hoor!’) wordt er toch even gevraagd om ‘een voorwoordje? Een tekstje? Een foto? Interviewtje?’ Nou ben ik ook de beroerdste niet (of eigenlijk wel) dus na een uurtje pittig doorwerken leg ik het moede hoofd weer in het kussen. Overvallen door een tot kotsens toe zware kriebelhoestbui sta ik even later in de badkamer met betraande ogen ijskoude slokjes water te drinken. Liever kijk ik niet in de spiegel, want dat enge, bleke mens met dat rare haar, haar ken ik niet.


Maar goed, de hele dag liggen en slapen is het ook niet, dus voor de verandering lees ik gewoon ALLE mail die mij toegestuurd wordt. Dat dat ook nog wel een profijtelijk kan zijn blijkt als ik lees dat we van onze ziektekostenverzekering 20% korting krijgen op een bril bij Specsavers. Laten we nu net een week geleden zo’n bril gehaald hebben! Hij kostte 119 euro, maar toen we reeds  bij aanschaf moesten afrekenen was dat opeens 304 euro. De brillenverkoper voelde het al aankomen, dus ging uit-ge-breid vertellen hoe het kan dat een complete, multifocale bril, waar een prijskaartje van 119 euro aan hangt, bij afrekenen 304 euro kost. Nee, mevrouw, dat heeft niets met zwendel en oplichting te maken maar laat mij u het duidelijk uitleggen: tien minuten later blijkt dat ik dankzij allerlei kortingen blij mag zijn dat we geen 518 euro voor diezelfde bril hebben moeten betalen. Maar dat van die korting van 20%, daar heeft hij met geen woord over gerept. En reken maar dat we dat nu tot de Bodem gaan uitzoeken. Een telefoontje naar de Deventer vestiging levert op dat ze ons een factuur sturen en dat we die moeten indienen bij de ziektekostenverzekering. Ehh…wat zal het me niet verbazen als dit bedragje straks nog van ons eigen risico van vorig jaar wordt afgetrokken? En zo zijn er nog wel meer van die ergernisjes! Het geblaat op FB, bijvoorbeeld. Iemand zegt: ‘zie ziekte als je vriend!’ Hallo! Mag ik een teiltje! Ik zeg haar dat ze dat op de tijdlijn van een ebola- of vlektyfuspatient moet schrijven. En even vertellen wat ik van Oscillococcinum vindt. En zo nu en dan knal ik er nog meer van die stekelige opmerkingen op. Heerlijk. Ik knap er enorm van op. Als ik nou straks beter ben, heb ik daar natuurlijk geen tijd meer voor. Dat is dan wel weer jammer.

vrijdag 4 december 2015

(Schone) NIEUWE borden






Alweer bijna tien jaar wonen we in het mooie Salland. Ons huis is het eerste aan een doodlopende weg. Aan de linkerkant, in onze grond en in een struik, staat het bord doodlopende weg.  Ik waagde er na een paar weken een telefoontje aan: of het niet logischer was dat bord aan de rechterzijde van de weg te plaatsen. De man van de gemeente was het helemaal met me eens en vroeg zich in alle toonaarden af hoe het mogelijk was dat dat bord ooit aan de linkerkant van de weg terechtgekomen was. Hij ging er werk van maken. Meteen!

Er gebeurde niets. Soms vroegen de mensen die aan het eind van de straat wonen of we onze struik wat vaker wilden snoeien, want mensen zagen het bord niet meer. Zo kon het gebeuren dat je op zondagochtend een peloton sportfietsers de straat in zag razen en enkele minuten later als een verward, ordeloos zootje terugkeren. Na een paar jaar plaatsten de buren zelf een extra bord, dichter bij huis. Aan de rechterkant.  

Deventer heeft  Wijkaanpak en daar kun je foute stoeptegels en verkeerde borden melden. Ik deed nog een poging. Toevallig werden we opgenomen in een  informatieve route voor ambtenaren en een hele ploeg gemeentemensen, raadsleden en al, stond afkeurend bij ons bord te kijken. Wij geloofden er weer in!  Enkele jaren verstreken.

Maar dan, in oktober 2015: het is nog vroeg in de ochtend als de mannen van het Deventer Groenbedrijf de verkeersborden in ons dorp inspecteren. Manlief haalt net de krant uit de bus en treft het dat één van de mannen komt melden dat dat bord daar in die struik helemaal verkeerd staat. Dat bord moet aan de andere kant van de weg! Hij brengt het bars, alsof het onze schuld is. Manlief druipt verbouwereerd af. Vanuit de veilige woonkamer zien we dat de mannen de lokale borden  op de viersprong wassen. Aan dezelfde viezige paal wijzen drie plaatsnaamborden van de ANWB de weg. Die zijn door weer en wind groen en bijna onleesbaar geworden en zullen flink opknappen van zo’n wasbeurt!  Maar de wisser en emmer worden weer opgeborgen.  Die borden en de paal staan niet in de taakomschrijving van deze wakkere ambtenaren.



En na deze taak volbracht te hebben tuft het volgeladen autootje weer weg. Het moet natuurlijk ingepland worden, de plaatsing van dat bord. Dat kan natuurlijk niet zomaar even, bord uitgraven, nieuw gat graven, bord er weer in. Dat is een te simpele gedachte.

We zijn nu twee maanden verder. Er is niets veranderd. Er zijn veel dingen om je over op te winden, dingen waar je niets aan kunt doen. Maar zoiets kleins, dat had toch onderhand wel een keertje opgelost kunnen worden, gemeente Deventer?

Laatste nieuws: dinsdag, 9 februari, ruim voor koffietijd, stopte er een gemeentewagentje voor het huis. Het zonnetje scheen. Het voelde naar mooie dingen. In de auto werd langdurig op een mobiel gekeken en gebeld. En toen, zomaar opeens, stond er aan de rechterkant van de weg een glimmend, nieuw bord 'Doodlopende weg.' Met daaronder het bordje 'Looweg'. Dochter er nog even op af gestuurd (moeder nog steeds geveld door griep) om dat bordje ietsje schuin te zetten. Niet iedereen weet de weg in ons dorp! Maar wat geweldig. Ik hoorde dat er nog meer nieuwe borden zijn geplaatst. Het wordt steeds mooier, bij ons in Loo!


donderdag 5 november 2015

Schokkend nieuws


Vanmorgen, toen ik de kachel wilde aansteken en nog even een ongelezen krant doorbladerde stuitte ik op het volgende nieuwsbericht: 



Omdat het nieuws al drie dagen oud was, vroeg ik me af of ik nu de enige was die het als verpletterend ervoer. Ik had er namelijk verder nog niemand over gehoord of er iets over op FB gelezen, toch de eerste plek waar je betrouwbaar nieuws vandaan haalt. En hier was zelfs sprake van de vermaarde wetenschapshistoricus Gareth Williams die beweert dat het monster gewoon een ordinaire P.R. stunt is! Maar gelukkig was Hoofd Haaknaald het met me eens: ook zij reageerde Zeer Ontdaan. Als trouwe Schotlandganger valt zoiets je nu eenmaal rauw op je dak.

Onlangs filosofeerden we nog in het land van de lochs zelf onder het genot van een glas Balvenie over de ontdekking van een verrassende trog. Die loopt van Loch Ness via de Ierse zee in de Atlantische oceaan naar de kust van Zuid-Amerika. Daar was het monster namelijk ook waargenomen en daar sponnen ze sindsdien ook garen bij! Het bood ook een volmaakte oplossing voor het vraagstuk waar men het in Schotland toch liever niet over heeft: er zit helemaal geen voedsel in Loch Ness! En zo’n groot monster moet toch echt wel flink wat naar binnen werken om monster te zijn. National Geographic had er zelfs een documentaire over. Maar nu heeft zich er een vermaard wetenschapshistoricus tegenaan bemoeid. En ja, dan zijn de rapen gaar.


In een wereld, die aan alle kanten wankelt en waar de vraagstukken ons ver boven het hoofd groeien, was er tenminste nog één zekerheid: het mysterie van het monster. En ook dat is ons nu definitief afgenomen. Er moest  een vermaard wetenschapshistoricus aan te pas komen om ons anno 2015 uit deze zoete droom te helpen. Waar zal het eindigen? Straks krijgen we ook nog te horen dat HG helemáál niet doet wat het belooft. Er echte kaas op diepvriespizza's zit. Sinterklaas niet bestaat. Laat staan Zwarte Piet. Dat die gasten gewoon één grote P.R. stunt zijn.

Wat me alleen wel weer een beetje aan het twijfelen brengt is de herkomst van het bericht. Bristol, staat er. Bristol ligt in Engeland. En daar hebben ze wel een Lake District, maar tot op heden geen monster. Het zou me niet verbazen als er daar nu binnenkort eentje opduikt. En dat zo'n vermaard wetenschapshistoricus dan beweert dat het er altijd al gezwommen heeft, in Lake Windermere. Want zo'n wetenschapper beweert natuurlijk niet zomaar iets. Die doet eerst grondig onderzoek. En komt dan tot verrassende conclusies!





maandag 26 oktober 2015

Vijftig cent



We komen uit de parkeergarage voor een ochtendje winkelen. Bij de zich automatisch openende deuren staat een man van een jaar of veertig. Hij heeft slordig, halflang blond haar, draagt een blauw-wit ski jack, een spijkerbroek en dat zie ik meteen: foute schoenen. Dit type mannen kan er nog zo ‘gewoon’ uitzien, ze worden altijd verraden door hun schoeisel. Daarbij wiebelt hij erop. Zachtjes heen en weer. Het is eigenlijk raar hoe je in een paar tellen meent te kunnen zien met wat voor persoon je van doen hebt.


Hij spreekt ons aan. Vijf karren verderop in de aan elkaar geschakelde rij ligt een verkreukelde kassabon van zeker dertig centimeter. Die wil hij graag hebben (‘Het is mijn kassabon, ik heb hem nodig’) , maar hij heeft geen vijftig centstuk. Of wij…..Ik kijk hem niet aan als ik in mijn portemonnee naar zo’n munt (ik geef toe, ik kijk eerst even of ik geen karmunt heb) zoek. Ik stop hem zelf in de gleuf van de vijfde kar. Het slotje klikt moeiteloos open en samen trekken we de voorste vier naar voren (‘Gaat het wel?’, vraagt hij zorgzaam, omdat er een kar over mijn voet rijdt). Ik pak de bon uit de kar en overhandig hem. Meteen duw ik de karren terug en haal de munt uit de gleuf.  Nu dient zich de cruciale vraag aan: zal ik hem die 50 cent geven? Was het hem daar eigenlijk niet om te doen? Of is dat een belediging?  Ik had het hem na deze bijzondere manier van bedelen best gegund.  Maar hij heeft zijn gehavende hielen al gelicht, hij loopt met te snelle junkiepassen langs de glazen wand, de bon wappert in zijn linkerhand. 

‘Hoe kan hij nu geen 50 cent hebben en wel die bon in die kar?’ vraagt Hoofd Logica zich af. 
‘Die bon was helemaal niet van hem, hij kan toch nooit zoveel boodschappen hebben gedaan.’ Want waar zijn die nu dan? Even kijken we om ons heen of er ergens een camera verborgen hangt die onze goedertierenheid gefilmd heeft. Maar nee. Wat er zojuist gebeurd is, zal altijd een raadsel blijven.