zondag 17 augustus 2014

Kamperen III




Vroeger kon je nog wel eens lachen op een camping. Er arriveerden altijd mensen die overduidelijk nog nooit gekampeerd hadden en ook thuis niet even de moeite hadden genomen hun bungalowtent een keertje op te zetten. Dan hadden ze zo slim kunnen zijn de bij elkaar horende stokken te nummeren dan wel van gekleurd tape te voorzien en was hen een hoop leedvermaak bespaard gebleven. Maar goed,  het kon ook leiden tot een enorme verbroedering, want  er zijn maar weinig mensen zo hulpvaardig als kampeerders.
Vaker leidde het tot uiterst pijnlijke echtelijke ruzies, huilende kinderen en een withete papa, want hij was al zo moe van dat hele eind rijden.  Je hoorde dan hoe het kleine woordje ‘jij’ met héle verschillende intonaties kan worden uitgesproken. Eens waren wij, warm en droog in onze caravan, getuige van het opzetten van zo’n gevaarte in de stromende regen. Toen alles na drie uur in elkaar zat stond de tent half op de weg. De kampeerders hebben die nacht in een hotel doorgebracht.

Tegenwoordig is er niet zoveel te lachen meer. De camping wordt bevolkt door de Witte Vloot van de Gouden Generatie: Tachtigers die hun minstens 7 meter lange camper dankzij uitgekiende boordcomputers precies op de plek krijgen waar ze hem hebben willen. Ze hebben alles bij zich, hun schotels rijzen automatisch op in de goede richting en ze kijken niet met ons, het gewone volk, in de bar naar de wedstrijd. Als ze van de camping af gaan blijven hun tafeltje en stoeltjes op ze wachten, want ze willen wel op dezelfde plek terugkomen! Ze zijn dan verder zo over de dag wel druk in de weer met emmertjes en kleine wasjes. Zodat het toch een beetje lijkt op kamperen, wat ze doen. En ik bekijk dat dan allemaal, vanuit mijn caravan achter de laptop.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten