Posts tonen met het label Hollandse smoushond. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hollandse smoushond. Alle posts tonen

vrijdag 3 december 2021

Dag Suus

 

                       

Ruim 13 jaar geleden haalden we Suus op uit Leeuwarden. Ze kwam uit een nest van vijf pups en fokster Suzanne Zaal had haar voor ons uitgekozen en zodoende kozen wij haar naam voor onze tweede Smous. Een paar maanden daarvoor was onze herplaatser Noa praktisch voor de deur doodgereden en dat was een schok die we nog maar nauwelijks te boven waren.

Zo brachten we haar thuis, bij de oude mopperpot Jack the Russell die al heel snel duidelijk maakte dat dat puppengedoe helemaal niks voor hem was. Vanaf dag 1 had Suus een erg enthousiaste manier van begroeten, ze begon dan te juichen, sprong tegen mensen op, moest iets in de bek nemen anders vergreep ze zich uit puur enthousiasme aan loshangende jaspanden of zijden sjaals. We hebben haar dat niet echt af kunnen leren. Het duurde ook nooit zo lang, daarna zocht ze haar plek weer op en had je geen kind aan haar. Dan haar neiging schoenen, sokken, pantoffels, alles wat  ze op de grond aantrof in uitzinnige vreugde bij je te brengen of ergens binnen of buiten achter te laten. Hoe vaak we haar niet verwenst hebben als we al haast hadden en er miste de helft van ons schoeisel!

Toen ze, héél schoorvoetend, een nieuwe huisgenoot, de kitten Spookje, had leren accepteren bleek dat laagje beschaving maar heel dun.  Een jaar later kreeg Spookje vier kittens. Terwijl ik even wegliep van de doos waarin ze geboren waren miste er bij terugkeer één, de enige rode van het stel. Suus werd uitvoerig ondervraagd maar wist van niks. Tot Suus’ vriend Spike een week later op kraamvisite kwam. Daar was Suus opeens met iets rossigs waar een staartje aan zat in de bek. Ze liet dat dingetje aan Spike zien en echt, ze was er gewoon trots op.

Suus kreeg op 22 november 2013 een nest met vijf pups. Eentje hielden we er, dat werd roversdochter Ronja. Ronja was heel anders dan haar moeder, geen gejuich, geen gesleep met schoeisel, geen kapsones waar te plassen en te poepen. Wel net zo’n goede muizen-, ratten- en mollenjager als haar moeder, zo niet beter. Samen hadden ze daar een hele strategie voor ontwikkeld. Ze konden ook soms opeens geweldig vechten en dan was het een hele toer ze uit elkaar te krijgen.

En opeens was Suus 13 en was er iets mis. Ze ging heel vaak zitten persen en dan kwam er niks. Bezoeken aan verschillende dierenartsen gaven geen uitsluitsel, tot de laatste. Die constateerde een gezwel ter grootte van een golfbal in haar buik tussen haar baarmoeder, blaas en endeldarm in. Er werden diverse opties aangedragen, scannen, operatie met onzekere afloop, mogelijke beschadiging van essentiële zenuwen. En toen we dat allemaal niet wilden voor Suus, restte er uiteraard maar één ding. We gingen naar huis met prednison en een middel om haar gemakkelijker te laten poepen.

De prednison zorgde voor een enorme opleving. We hadden onze Suus terug! Ze ging op jacht met haar dochter, ik wandelde alle weggetjes die we ooit samen hadden gelopen, ze was bijna net als voorheen. Maar dat ze om de 100 meter ging zitten persen door de druk van de tumor veranderde niet echt. We besloten het van dag tot dag te bekijken. Dat bleek nog niet zo gemakkelijk. Maar langzamerhand ging ze achteruit. Ze moest ’s nachts een paar keer uit de bench om te plassen, ze trilde, het plassen en persen werd steeds frequenter.

En zo kwam de dag na een nacht waarin ze er vijf keer uit moest dat we besloten dat het moment daar was. De dierenarts die ons had bijgestaan heeft haar ook geëuthanaseerd. Ronja probeerde haar nog in beweging te krijgen en keek me niet-begrijpend aan.

We hebben haar in een warm dekentje gewikkeld en begraven op haar favoriete plek achter de kachel aan de buitenkant van het huis.

Dag Suus, dag liefste Suus.

 

 



zaterdag 9 december 2017

Wat er gebeurt




Hij is er: 

Een verhalenbundel met als thema's verdriet, veerkracht en venijn

Fragment: Wat er gebeurt



...als je de top bereikt.

Ze zijn op 1600 meter vertrokken om naar de top van de Canigou, de heilige berg van de Catalanen van 2784 meter hoog, te klimmen. Emma is haar moeder al snel voor. Ingrid moet echt zo nu en dan even stilstaan, ze is tijdens de slingerende tocht met de 4-wheeldrive onverwacht wagenziek geworden en moet diep ademhalen om haar maag weer tot rust te brengen. Ze zijn niet de enigen die vanmorgen deze klim maken: langs de westkant van de berg, die nu in de schaduw ligt, ziet ze gestaag naar boven klimmende kleine figuurtjes langs de steile flanken slingeren. Emma is haar al veel te ver voor. Als een gems danst ze over het pad, behendig en onverschrokken. Ingrid ziet haar soms op handen en voeten en roept haar naam. Natuurlijk hoort ze haar niet.
Ze probeert er vaart achter te zetten. Langzaam komt ze in een goede loopcadans en kan ze regelmatiger ademhalen. Haar maag doet niet meer vervelend. Ze wordt niet meer steeds ingehaald. Het gaat goed. 

De berg wordt hogerop steeds kaler met angstwekkend steile puinhellingen, waar het pad in uitgesleten is. Ingrid begint weer sneller te lopen. Eén misstap kan fataal zijn. Ze kan het voor zich zien, hoe haar meisje als een beschadigde vlinder onderaan de helling ligt, haar lange blonde haar in een waaier om haar hoofd. Omdat ze nu aan de achterkant van de berg is ziet ze haar helemaal niet meer. Maar opeens is ze er weer, haar rode korte broekje als een dansende stip tegen de donkere berg. Er loopt iemand bij haar, het lijkt erop of ze samen praten. Ze staan even stil, ze wijst. Ingrid zwaait. Ze zwaait terug. De vrouw bij haar zwaait ook, op een manier die haar geruststelt. Haar tocht duurt nog bijna een uur maar na nog een paar korte, loodzware klimmetjes arriveert ze op de top. Er zijn daar een heleboel mensen, dat valt haar tegen. Het waait er heel hard, de zon brandt. Ze ziet Emma met de vrouw op een rotsblok zitten. Ze moet zich bijna door de menigte heen worstelen om bij hen te komen.

‘Dag mam, ben je daar eindelijk,’ Emma lacht. De vrouw naast haar draait zich ook naar Ingrid om. Verbijsterd kijken ze elkaar enkele seconden aan.
‘Josien?’
‘Ingrid’. Ze heeft haar naam onthouden. Bliksemsnel heeft haar verbaasde blik plaatsgemaakt voor een andere. Ze kijkt Ingrid vriendelijk glimlachend aan. Maar Ingrid voelt de blos die over haar gezicht schiet en ze kijkt weg, alweer.
‘Kennen jullie elkaar?’ Emma kijkt de vrouwen beurtelings aan.
‘Van vroeger,’ zegt Josien. ‘Van heel lang geleden.’ Ze lacht naar Emma. Ze maakt een volkomen ontspannen indruk. Ze zal het toch niet vergeten zijn?
‘Waren jullie vriendinnen!’ Emma lacht.
‘Eh…we zaten bij elkaar in de klas,’ zegt Ingrid.

In ieders leven komt het voor dat je onverwacht iemand uit je verleden ontmoet, op een brug in een Oostenrijks stadje, in de trein onderweg naar Berlijn. Bijna altijd is het een ontmoeting waar je later met plezier aan terugdenkt. Hoe verrassend was het je oude leraar Geschiedenis op de veerpont naar Terschelling of het meisje waar je ooit mee gekust hebt op de markt in Syracuse nog eens weer te zien! Wat kun je daar gelukkig van worden, even terug in je verleden te zijn, de lucht van warme perziken te ruiken, de warmte van die dag als een deken om je heen te voelen.

Zo’n aangename verrassing was dit niet.


Meer lezen? 'Wat er gebeurt' is nu verkrijgbaar bij boekhandel en bol.com en  je kunt 'm ook bij mij bestellen voor een gesigneerd exemplaar via  (€ 20 euro incl. verzending)

donderdag 18 december 2014

Kwijt II


2014 was voor ons een gedenkwaardig jaar. In januari werden we grootouders, een toepasselijke naam voor een mooie gebeurtenis. Met de geboorte van Eefje hebben Hoofd Voortplanting en ik ons stempeltje op de geschiedenis gezet en dat is een mooi en geruststellend gevoel.

Daarnaast verscheen mijn eerste roman, 'Zeven dagen in juli'. Een echt boek, dat door jullie als lezers gewaardeerd wordt. En daar ben ik heel blij mee, ook met degenen die de moeite namen een recensie te schrijven op dizzie.nl en bol.com en/of mij zelf vertelden wat ze ervan vonden. De reacties waren dermate stimulerend dat ik doorga met schrijven. In 2015 komt 'Wat waar is' (werktitel) uit en ik ben bezig met twee andere boeken. De beer is los!

Als dank voor jullie als kopers van mijn boek en lezers van mijn columns en blogs, bied ik jullie dit verhaal aan, een 'Zielig Verhaal,' geschreven in opdracht voor de Smouzenglossy, maar hier wat algemener gemaakt. Ik hoop dat jullie in 2015 nog steeds van mijn schrijfsels genieten!

Hele fijne dagen & een mooi, gezond en inspirerend 2015 gewenst!


KWIJT II


Het schemerde al toen Marc en Josine de oprit van het vakantiehuis aan de Côte Opale op reden. In het licht van de ondergaande zon stond het huis onverzettelijk en bijna streng op de klif. Er stonden wat lage struiken en langs de omheinde tuin hier en daar een krom, met de heersende wind meegegroeid boompje.  Voordat Josine het achterportier opende deed ze het hek waar ze net doorheen gereden waren weer dicht. De honden sprongen enthousiast naar buiten, blij dat de lange rit ten einde was. Het was niet de eerste keer dat ze hier waren en het leek alsof ze hun omgeving herkenden. Belle wist tenminste precies waar het modderige vijvertje was, ze rende er direct heen om te drinken. Coco trippelde op de haar kenmerkende manier achter haar aan, haar pootjes behoedzaam neerzettend in de her en der opgewaaide plakken sneeuw. Boven de zee pakten zich donkere wolken samen, de zon was nu echt weg.

‘Kom,’ zei Marc, ’we gaan naar binnen, het gaat straks vast sneeuwen.’ Josine huiverde in haar warme winterjas. Ze haalde de huissleutels uit haar jaszak en opende de voordeur. Binnen was het warm, de eigenaar had de cv tijdig aan gezet. Naast de open haard in de salon waren houtblokken opgestapeld. In de keuken lag naast een fles wijn een briefje op tafel. Josine pakte het op en las de vriendelijke welkomstwoorden. Ze voelde zich meteen weer thuis, net als de vorige keren dat ze hier geweest waren, meestal in het voor- of naseizoen. Dit was de eerste keer dat ze hier de Kerstdagen gingen doorbrengen, ver weg van alles en iedereen, met z’n tweeën en de honden. Even helemaal niets aan hun hoofd, er was in het huis geen internet en de TV vertoonde alleen Franse zenders. Natuurlijk hadden ze wel een laptop vol films en een krat boeken bij zich en Josine had haar breiwerk meegenomen – ze zouden zich zeker niet vervelen, deze twee weken!

Marc was al begonnen hun spullen uit de auto te halen en Josine liep ook heen en weer, al snel stond alles in de gang. De honden waren ook alweer binnen, zodra ze de emmer waarin hun voer zat hadden gezien meenden ze ook te weten dat het etenstijd was. Josine pakte de voerbakken uit de kast en vulde ze. Ondertussen legde ze een oud dekbed neer in de niet meer gebruikte open haard in de keuken waar de honden sliepen. Ze spreidde er nog een warme, oude deken overheen.
Marc had de koffers allemaal al naar boven gebracht. Ze maakten samen het grote bed op en Josine deed alvast één bedlampje aan. Het warme schijnsel verlichtte de ruime, sfeervolle kamer. Ze had nu al zin om naar bed te gaan.’
‘Wat gaan we straks eten?’ Marc had heel andere gedachten.
‘Pasta, of kaasfondue, wat je wilt’ zei Josine. ‘Maar het is net vijf uur, we gaan eerst lekker borrelen.’ Ze waren onderweg bij een super gestopt om de eerste dagen geheel zelfvoorzienend te kunnen zijn en natuurlijk hadden ze een heleboel lekkere dingen gekocht. Waren de Franse supermarkten altijd al een en al overdaad, met de Kerst pakten ze helemaal uit. Ze hadden een hele kar vol boodschappen gedaan.

In de salon stond een kunstkerstboompje, met lichtjes en wat slordig opgehangen zilveren ballen.  Josine verbaasde zich altijd over de in haar ogen smakeloze manier waarop de Fransen hun kerstversieringen aanbrachten. In de dorpen hingen kerstbomen onverschillig vastgelegd aan lantarenpalen, waren ze volgehangen met in goud- en zilverpapier verpakte ‘cadeaus’, hingen kerstmannen tot diep in maart aan dakgoten en als er straatverlichting was schitterde die je fel en veelkleurig tegemoet met flikkerende lampjes. Maar evengoed lief dat de eigenaar van het huis er aan gedacht had een boompje voor hen neer te zetten. Josine had zelf wel wat versiering meegebracht, daar kon ze het huis nog verder mee aankleden. Maar dan kwam nog wel.

Morgen wat wandelen over de klif, afdalen naar het dorp, koffie drinken in de lokale Bar-Tabac, allemaal simpele genoegens waar je je toch enorm op kon verheugen. Josine schonk zichzelf een glas rode wijn in en sneed een half stokbrood in stukjes voor de eendenpaté. Het leven was geweldig!

De volgende ochtend stonden ze laat op. De honden begroetten hen alsof ze elkaar weken niet gezien hadden, de jongste, Coco, nog maar net acht maanden, wilde maar niet afleren tegen ze op te springen. Steeds maar weer duwde Josine haar naar beneden, ondertussen ‘laag’ roepend. Maar dan keek het dier haar met haar aanbiddelijke bruine ogen zo stil verwijtend aan dat ze haar dan toch nog maar een extra knuffel gaf. Ze woelde door hun bruinrode vachten, ze had besloten ze voor de winter niet te laten plukken dan hadden ze het niet koud. Daardoor hadden ze nu wel véél haar, maar dat vonden zowel Marc als zij ook wel het leukste aan dit ras, de Hollandse Smous. Ze voerde de honden en liet ze naar buiten om hun behoefte te doen. Ze konden niet uit de tuin, dat was één van de praktische redenen waarom ze hier steeds weer naartoe gingen. Daar kwamen de weidsheid van de kliffen en het bos landinwaarts nog bij: welke kant je ook uitliep, het was allemaal even mooi.
Het had gesneeuwd maar niet zoveel als ze gehoopt had. Het leek zelfs een beetje te dooien, want over het klif hing nevel. Na het ontbijt trokken ze warme kleren en winterlaarzen aan. Marc pakte de riemen en maakte ze vast, ze gingen naar het dorp, een wandeling van een klein half uur als ze het pad langs de kliffen namen.  Ze moesten goed opletten, want op sommige plaatsen op het pad dat naar beneden liep lagen maagdelijke plakkaten sneeuw. Je kon zo niet zien hoe het pad daar onder was. Ze hadden allebei een hond vast en Josine gleed een keer uit omdat Coco zo trok. Ze gaf een scherpe ruk aan de lijn:
‘Hou nou eens op met dat trekken, ik breek zo m’n benen!’
‘Misschien kunnen we ze beter loslaten,’ zei Marc. ‘Ze vinden hun weg wel.’ Hij keek onzeker om zich heen, bedacht dat ze misschien toch beter over de klif hadden kunnen gaan.
‘Nee,’ zei Josine. Ze had visioenen van van de klif afglijdende hondjes. Diep onder hen woelde de zee om de rotsen, wit schuim spatte hoog op. Als je daar in terechtkwam overleefde je het niet.
‘We zijn er zo, even doorzetten.’ Op een paar plaatsen stond een niet al te stevig aandoend hek langs het pad. De honden leken nu behoedzamer, Belle keek zelfs steeds achterom naar Marc terwijl ze probleemloos het pad volgde.
‘Terug gaan we gewoon bovenlangs hoor,’ zei Marc, toen ze eenmaal beneden waren en het pad weer vlak werd. Hier mochten de honden wel even los, hier was geen gevaar. Beide honden stoven achter elkaar aan de nevel in. Verder landinwaarts klonken schoten.

‘Ze zijn weer aan het jagen,’ zei Marc. Ze waren altijd aan het jagen, die Fransen, dacht Josine kregelig. Ze had het er niet op, haar honden konden gemakkelijk aangezien worden voor klein wild, zeker in die mist.
‘Coco! Belle!’ ze riep zo hard ze kon. Er gebeurde niets. Ze riep nogmaals en liep in de richting waarin de honden verdwenen waren, Marc volgde haar.
Plotseling stoof er op een paar passen afstand een ree langs hen, de neusvleugels wijd geopend, de ogen en bek opengesperd in blinde paniek. Ze was aangeschoten, ze verloor bloed.  Coco en Belle zaten haar bijna op de hielen. Binnen een paar seconden waren ze voorbij,  heuvelopwaarts,  Marc en Josine verbluft achterlatend. Beiden schreeuwden ze de namen van de honden. Maar de mist had zich achter hen gesloten en het was doodstil op de klif.

Ze liepen zo snel ze konden de heuvel op.  Het werd snel mistiger nu ze weer omhoog moesten, ze konden maar net het pad zien. Het was essentieel het pad te volgen, anders konden ze zomaar verdwalen. Josine begon geluidloos te huilen, ze werd zo bang in die mist en waar waren haar honden? Het schieten was opgehouden, de jagers konden blijkbaar het wild niet meer zien.
‘Die klotejagers,’ Marc zei niets, zijn mond was een rechte, boze streep. Plotseling hield hij stil en stopte ook Josine door een arm uit te steken.
‘Pas op!’ Ze waren aan de rand van het klif. Nog een paar stappen verder en ze waren er af gelopen.  Josine raakte nu helemaal in paniek.
‘Ik wil weg , waar zijn we in godsnaam?’ Marc probeerde haar te kalmeren, maar hij hapte zelf ook naar adem. De mist kolkte over de rand van het klif naar boven, met lange, golvende vingers.

‘We volgen het pad terug,’ zei Marc. ‘Ergens moeten we een splitsing hebben gemist.’
Ze liepen voetje voor voetje terug en na wat wel een kwartier leek maar waarschijnlijk vijf minuten was vonden ze inderdaad een kruising. Na enig overleg besloten ze rechtsaf te gaan. Ondertussen bleven ze de honden roepen, fluiten, in hun handen klappen….Voor alles was het nu belangrijk het huis terug te vinden. Van daaruit konden ze meer ondernemen. Josine probeerde er niet aan te denken hoe de honden achter de ree aan over de rand van de klif gestort waren, maar ze was een beelddenker en ze kreeg het niet uit haar hoofd.
Het begon te waaien en de mist werd dunner. Eindelijk doemde het huis op de klif uit de mist op.
‘Coco! Belle!’ Josine hoopte zo dat ze voor het hek zouden zitten, wachtend op hun baasjes.
‘Ik zie niks.’ Marc opende het hek en vervolgens de voordeur. Wat was het stil in huis, zonder de honden.
‘Eerst maar even koffie. Dan ga ik straks wel even met de auto naar het dorp, rondvragen. Ze zijn gechipt, als iemand ze gevonden heeft  kunnen ze ons vinden. ’ Er klonk enige hoop in zijn stem. Maar Josine dacht daar heel anders over. Zulke leuke honden, en dan nog teven ook, wie ze vond zou ze zeker houden en er eindeloos nestjes mee gaan fokken.
‘We zijn ze kwijt,’ zei ze. Ze huilde alweer. Hoe had dit allemaal zo vreselijk verkeerd kunnen gaan?
Toen de koffie op was stapte Marc in de auto en reed naar het dorp. Josine bleef achter en trok haar jas en winterlaarzen weer aan: het was lichter geworden en ze wilde toch gaan zoeken. Een uur lang liep ze rond en riep zo vaak tot haar stem het begaf. Toen ging ze terug naar het huis. Marc had ook nog geen nieuws. Ze zaten tegenover elkaar aan de keukentafel en kwamen tot niets.

Pas toen het al begon te schemeren bedacht Josine dat ze nog helemaal niets gegeten hadden sinds het ontbijt. Op dat moment werd er op de deur geklopt.
Toen Josine open deed stoven er twee wild enthousiaste honden naar binnen, sprongen tegen haar en Marc omhoog. In het tegenlicht zag ze een oudere man. Hij glimlachte en vertelde dat hij de honden gevonden had in het bos, tenminste, dat kon ze tussen het geblaf van Coco en Belle door begrijpen. Hij zei nog een heleboel maar daar werd ze geen wijs uit. Ze kon de man wel omhelzen. Maar nog voordat ze hem iets hadden kunnen aanbieden schudde hij hen de hand en vertrok. Zijn auto met aanhangertje stond op de oprit. Hij stak nog even zijn hand op voor hij instapte.

Toen hij de auto draaide zag ze boven de laadbak twee poten uitsteken, de elegante hoefjes wezen naar de lucht. De kop van de ree hing half over de achterkant heen, haar hals zwaar gehavend. Een van de honden likte haar hand. Ze trok hem snel terug.






















dinsdag 26 november 2013

Suuskindjes

In het kader van 'ook dat wil je een keer meegemaakt hebben' hebben we onze Hollandse smous Suus in september laten dekken door Sjakie. Over dit Nederlandse hondenras kun je alles lezen op www.smoushond.nl , dus daar ga ik verder niet over uitweiden. Behalve dat wij het een heel leuk, handzaam ras vinden & onze Suus natuurlijk de liefste smous ter wereld is. Haar enthousiasme mag op visite of collecterende of colporterende mensen nog wel eens wat overdonderend overkomen, onze eigenwaarde wordt altijd weer gestreeld door haar juichende (een ander woord ervoor is moeilijk te bedenken) begroetingen.

Maar goed, zondagochtend begon de eerste fase van de bevalling en onervaren als wij zijn, dachten we dat het rond het middaguur wel gepiept zou zijn. Niet dus.

Radeloos keek het arme dier ons aan, geen idee wat haar nu overkwam. Ze wilde in de tuin een hol graven, ze ging vruchteloos op het gras zitten persen en kwam dan gauw weer binnen, maar eindelijk, rond een uur of half zes, verscheen er de zo gewenste 'blaas' en na nog weer bijna een uur verwoed persen kwam het eerste jong ter wereld. Feilloos en zonder poespas greep Suus in, verwijderde het vlies, knauwde de navelstreng door, droogde het jong af en toen dat allemaal klaar was kwam de volgende. En zo ging het nog drie keer door en na vijf pups was het klaar. Vier waren er rond 250 g en één klein, maar dapper reutje woog net 150 gram, een soort miniatuurversie van zijn 'grote' broer en zussen. Tot onze verbazing was er eentje bij die wel erg veel lijkt op Bix, de Engelse bulterriër van een vriendin van Martine, dus die hebben we gelijk maar vernoemd. Zelfs het puntje van haar staartje is wit!



Het grut vond al snel zijn weg naar de tepels en voordat we gingen slapen lag het hele stel rustig en warm in de werpkist. 's Nachts rond half vier sloop ik (om Dirk niet wakker te maken) even naar beneden om te kijken of het wel warm genoeg was (ja) en 's nachts om half vijf sloop Dirk (om mij niet wakker te maken)  naar beneden om te kijken of het wel warm genoeg was (nog steeds). 's Ochtends had Suus de pups keurig toegedekt onder het oude dekbed dat als bodembedekking in de werpkist ligt, alleen haar koppie kwam er bovenuit.



Tja en dan heb je opeens een hoop gedoe: FB, telefoontjes, mails, bezoekjes, allemaal leuk. Een column voor www.naober.nl  met een oproep namen te verzinnen voor het grut.  Nu mogen we nieuwe eigenaren kiezen uit de aangedragen suggesties van de wachtlijstbemiddeling. Eén teefje houden we zelf. Wie van de drie dat wordt gaan we de komende weken zien.  Ongetwijfeld hebben ze allemaal hun eigen karaktertje.
 

 
Spookje komt op kraamvisite. Dat hoeft ze niet te proberen als Suus erbij is!

 


Van tevoren lees je natuurlijk wel het een en ander over hoe dat  gaat, zo'n bevalling. Wonderlijk vond ik het advies een flesje Dettol en of alcohol klaar te hebben staan om eventueel de navelstreng mee 'schoon' te maken. Getsie! Je zal toch moederhond zijn en dan zo'n Dettolpup moeten aflikken! Een raar en wel erg met menselijke maatstaven bedacht advies (tja, kraamvrouwen eten nu eenmaal niet hun baby's navelstreng op). Niet doen, dus. De hond regelt het allemaal zelf en niemand kan dat beter!