vrijdag 9 januari 2015

Vrijheid van meningsuiting




Je vriendin komt op de koffie en trekt haar jas uit. Je schrikt je wild. ‘Jemig, wat zie jij er uit, dat kan toch niet, zo’n jurk, daar ben je toch veel te dik en te oud voor?’

Om maar eens een duit in het zakje te doen als we het hebben over wat we allemaal zouden moeten mogen zeggen, schrijven of tekenen. Maar je kijkt wel uit om dat te doen. Ook al vind je dat je vriendin er als een suikertaart uitziet, snel zetten je verstand en emotie de voors en tegens van een dergelijke opmerking tegen elkaar af: je houdt van haar, je kijkt er wel voor uit je vriendschap met haar op het spel te zetten, ze kleedt zich altijd al raar, wat maakt het uit, als zij er maar gelukkig mee is…Dus je houdt je mond! In menselijke termen noemen we dat gewoon fatsoen. We hebben een mening, maar die houden we voor ons. Omdat dat voor iedereen het beste is.

Er is een groep mensen waar deze normale omgangsregels niet voor gelden. Deze mensen vinden dat zij wel mogen zeggen, schrijven of tekenen wat zij van die suikertaartjurk vinden. En dan vinden we dat niet onfatsoenlijk en respectloos. Dan hebben we het opeens over ‘vrijheid van meningsuiting, het grootste goed van de mens!’ Dat begrijp ik dus niet. Ik zeg niet tegen mijn vriendin dat ze eruit ziet als een aangeklede aap en zij mogen hele volksstammen beledigen door dat wel te zeggen. En als dat dan helemaal verschrikkelijk verkeerd afloopt storten we ons in een collectieve huilbui waarbij we elkaar om de oren zwaaien met onze zo geliefde maar niet bestaande ‘vrijheid van meningsuiting’.

En ons vertwijfeld afvragen waar het heengaat, met deze wereld.

Zolang we niet in staat zijn tot een beetje tolerantie en respect voor andersmans opvattingen en kledingkeuze, zal het er met deze wereld op deze manier aan toe blijven gaan. Heel jammer, maar onvermijdelijk. Gun je vriendin die suikertaartjurk. Dan wordt alles beter.













donderdag 18 december 2014

Kwijt II


2014 was voor ons een gedenkwaardig jaar. In januari werden we grootouders, een toepasselijke naam voor een mooie gebeurtenis. Met de geboorte van Eefje hebben Hoofd Voortplanting en ik ons stempeltje op de geschiedenis gezet en dat is een mooi en geruststellend gevoel.

Daarnaast verscheen mijn eerste roman, 'Zeven dagen in juli'. Een echt boek, dat door jullie als lezers gewaardeerd wordt. En daar ben ik heel blij mee, ook met degenen die de moeite namen een recensie te schrijven op dizzie.nl en bol.com en/of mij zelf vertelden wat ze ervan vonden. De reacties waren dermate stimulerend dat ik doorga met schrijven. In 2015 komt 'Wat waar is' (werktitel) uit en ik ben bezig met twee andere boeken. De beer is los!

Als dank voor jullie als kopers van mijn boek en lezers van mijn columns en blogs, bied ik jullie dit verhaal aan, een 'Zielig Verhaal,' geschreven in opdracht voor de Smouzenglossy, maar hier wat algemener gemaakt. Ik hoop dat jullie in 2015 nog steeds van mijn schrijfsels genieten!

Hele fijne dagen & een mooi, gezond en inspirerend 2015 gewenst!


KWIJT II


Het schemerde al toen Marc en Josine de oprit van het vakantiehuis aan de Côte Opale op reden. In het licht van de ondergaande zon stond het huis onverzettelijk en bijna streng op de klif. Er stonden wat lage struiken en langs de omheinde tuin hier en daar een krom, met de heersende wind meegegroeid boompje.  Voordat Josine het achterportier opende deed ze het hek waar ze net doorheen gereden waren weer dicht. De honden sprongen enthousiast naar buiten, blij dat de lange rit ten einde was. Het was niet de eerste keer dat ze hier waren en het leek alsof ze hun omgeving herkenden. Belle wist tenminste precies waar het modderige vijvertje was, ze rende er direct heen om te drinken. Coco trippelde op de haar kenmerkende manier achter haar aan, haar pootjes behoedzaam neerzettend in de her en der opgewaaide plakken sneeuw. Boven de zee pakten zich donkere wolken samen, de zon was nu echt weg.

‘Kom,’ zei Marc, ’we gaan naar binnen, het gaat straks vast sneeuwen.’ Josine huiverde in haar warme winterjas. Ze haalde de huissleutels uit haar jaszak en opende de voordeur. Binnen was het warm, de eigenaar had de cv tijdig aan gezet. Naast de open haard in de salon waren houtblokken opgestapeld. In de keuken lag naast een fles wijn een briefje op tafel. Josine pakte het op en las de vriendelijke welkomstwoorden. Ze voelde zich meteen weer thuis, net als de vorige keren dat ze hier geweest waren, meestal in het voor- of naseizoen. Dit was de eerste keer dat ze hier de Kerstdagen gingen doorbrengen, ver weg van alles en iedereen, met z’n tweeën en de honden. Even helemaal niets aan hun hoofd, er was in het huis geen internet en de TV vertoonde alleen Franse zenders. Natuurlijk hadden ze wel een laptop vol films en een krat boeken bij zich en Josine had haar breiwerk meegenomen – ze zouden zich zeker niet vervelen, deze twee weken!

Marc was al begonnen hun spullen uit de auto te halen en Josine liep ook heen en weer, al snel stond alles in de gang. De honden waren ook alweer binnen, zodra ze de emmer waarin hun voer zat hadden gezien meenden ze ook te weten dat het etenstijd was. Josine pakte de voerbakken uit de kast en vulde ze. Ondertussen legde ze een oud dekbed neer in de niet meer gebruikte open haard in de keuken waar de honden sliepen. Ze spreidde er nog een warme, oude deken overheen.
Marc had de koffers allemaal al naar boven gebracht. Ze maakten samen het grote bed op en Josine deed alvast één bedlampje aan. Het warme schijnsel verlichtte de ruime, sfeervolle kamer. Ze had nu al zin om naar bed te gaan.’
‘Wat gaan we straks eten?’ Marc had heel andere gedachten.
‘Pasta, of kaasfondue, wat je wilt’ zei Josine. ‘Maar het is net vijf uur, we gaan eerst lekker borrelen.’ Ze waren onderweg bij een super gestopt om de eerste dagen geheel zelfvoorzienend te kunnen zijn en natuurlijk hadden ze een heleboel lekkere dingen gekocht. Waren de Franse supermarkten altijd al een en al overdaad, met de Kerst pakten ze helemaal uit. Ze hadden een hele kar vol boodschappen gedaan.

In de salon stond een kunstkerstboompje, met lichtjes en wat slordig opgehangen zilveren ballen.  Josine verbaasde zich altijd over de in haar ogen smakeloze manier waarop de Fransen hun kerstversieringen aanbrachten. In de dorpen hingen kerstbomen onverschillig vastgelegd aan lantarenpalen, waren ze volgehangen met in goud- en zilverpapier verpakte ‘cadeaus’, hingen kerstmannen tot diep in maart aan dakgoten en als er straatverlichting was schitterde die je fel en veelkleurig tegemoet met flikkerende lampjes. Maar evengoed lief dat de eigenaar van het huis er aan gedacht had een boompje voor hen neer te zetten. Josine had zelf wel wat versiering meegebracht, daar kon ze het huis nog verder mee aankleden. Maar dan kwam nog wel.

Morgen wat wandelen over de klif, afdalen naar het dorp, koffie drinken in de lokale Bar-Tabac, allemaal simpele genoegens waar je je toch enorm op kon verheugen. Josine schonk zichzelf een glas rode wijn in en sneed een half stokbrood in stukjes voor de eendenpaté. Het leven was geweldig!

De volgende ochtend stonden ze laat op. De honden begroetten hen alsof ze elkaar weken niet gezien hadden, de jongste, Coco, nog maar net acht maanden, wilde maar niet afleren tegen ze op te springen. Steeds maar weer duwde Josine haar naar beneden, ondertussen ‘laag’ roepend. Maar dan keek het dier haar met haar aanbiddelijke bruine ogen zo stil verwijtend aan dat ze haar dan toch nog maar een extra knuffel gaf. Ze woelde door hun bruinrode vachten, ze had besloten ze voor de winter niet te laten plukken dan hadden ze het niet koud. Daardoor hadden ze nu wel véél haar, maar dat vonden zowel Marc als zij ook wel het leukste aan dit ras, de Hollandse Smous. Ze voerde de honden en liet ze naar buiten om hun behoefte te doen. Ze konden niet uit de tuin, dat was één van de praktische redenen waarom ze hier steeds weer naartoe gingen. Daar kwamen de weidsheid van de kliffen en het bos landinwaarts nog bij: welke kant je ook uitliep, het was allemaal even mooi.
Het had gesneeuwd maar niet zoveel als ze gehoopt had. Het leek zelfs een beetje te dooien, want over het klif hing nevel. Na het ontbijt trokken ze warme kleren en winterlaarzen aan. Marc pakte de riemen en maakte ze vast, ze gingen naar het dorp, een wandeling van een klein half uur als ze het pad langs de kliffen namen.  Ze moesten goed opletten, want op sommige plaatsen op het pad dat naar beneden liep lagen maagdelijke plakkaten sneeuw. Je kon zo niet zien hoe het pad daar onder was. Ze hadden allebei een hond vast en Josine gleed een keer uit omdat Coco zo trok. Ze gaf een scherpe ruk aan de lijn:
‘Hou nou eens op met dat trekken, ik breek zo m’n benen!’
‘Misschien kunnen we ze beter loslaten,’ zei Marc. ‘Ze vinden hun weg wel.’ Hij keek onzeker om zich heen, bedacht dat ze misschien toch beter over de klif hadden kunnen gaan.
‘Nee,’ zei Josine. Ze had visioenen van van de klif afglijdende hondjes. Diep onder hen woelde de zee om de rotsen, wit schuim spatte hoog op. Als je daar in terechtkwam overleefde je het niet.
‘We zijn er zo, even doorzetten.’ Op een paar plaatsen stond een niet al te stevig aandoend hek langs het pad. De honden leken nu behoedzamer, Belle keek zelfs steeds achterom naar Marc terwijl ze probleemloos het pad volgde.
‘Terug gaan we gewoon bovenlangs hoor,’ zei Marc, toen ze eenmaal beneden waren en het pad weer vlak werd. Hier mochten de honden wel even los, hier was geen gevaar. Beide honden stoven achter elkaar aan de nevel in. Verder landinwaarts klonken schoten.

‘Ze zijn weer aan het jagen,’ zei Marc. Ze waren altijd aan het jagen, die Fransen, dacht Josine kregelig. Ze had het er niet op, haar honden konden gemakkelijk aangezien worden voor klein wild, zeker in die mist.
‘Coco! Belle!’ ze riep zo hard ze kon. Er gebeurde niets. Ze riep nogmaals en liep in de richting waarin de honden verdwenen waren, Marc volgde haar.
Plotseling stoof er op een paar passen afstand een ree langs hen, de neusvleugels wijd geopend, de ogen en bek opengesperd in blinde paniek. Ze was aangeschoten, ze verloor bloed.  Coco en Belle zaten haar bijna op de hielen. Binnen een paar seconden waren ze voorbij,  heuvelopwaarts,  Marc en Josine verbluft achterlatend. Beiden schreeuwden ze de namen van de honden. Maar de mist had zich achter hen gesloten en het was doodstil op de klif.

Ze liepen zo snel ze konden de heuvel op.  Het werd snel mistiger nu ze weer omhoog moesten, ze konden maar net het pad zien. Het was essentieel het pad te volgen, anders konden ze zomaar verdwalen. Josine begon geluidloos te huilen, ze werd zo bang in die mist en waar waren haar honden? Het schieten was opgehouden, de jagers konden blijkbaar het wild niet meer zien.
‘Die klotejagers,’ Marc zei niets, zijn mond was een rechte, boze streep. Plotseling hield hij stil en stopte ook Josine door een arm uit te steken.
‘Pas op!’ Ze waren aan de rand van het klif. Nog een paar stappen verder en ze waren er af gelopen.  Josine raakte nu helemaal in paniek.
‘Ik wil weg , waar zijn we in godsnaam?’ Marc probeerde haar te kalmeren, maar hij hapte zelf ook naar adem. De mist kolkte over de rand van het klif naar boven, met lange, golvende vingers.

‘We volgen het pad terug,’ zei Marc. ‘Ergens moeten we een splitsing hebben gemist.’
Ze liepen voetje voor voetje terug en na wat wel een kwartier leek maar waarschijnlijk vijf minuten was vonden ze inderdaad een kruising. Na enig overleg besloten ze rechtsaf te gaan. Ondertussen bleven ze de honden roepen, fluiten, in hun handen klappen….Voor alles was het nu belangrijk het huis terug te vinden. Van daaruit konden ze meer ondernemen. Josine probeerde er niet aan te denken hoe de honden achter de ree aan over de rand van de klif gestort waren, maar ze was een beelddenker en ze kreeg het niet uit haar hoofd.
Het begon te waaien en de mist werd dunner. Eindelijk doemde het huis op de klif uit de mist op.
‘Coco! Belle!’ Josine hoopte zo dat ze voor het hek zouden zitten, wachtend op hun baasjes.
‘Ik zie niks.’ Marc opende het hek en vervolgens de voordeur. Wat was het stil in huis, zonder de honden.
‘Eerst maar even koffie. Dan ga ik straks wel even met de auto naar het dorp, rondvragen. Ze zijn gechipt, als iemand ze gevonden heeft  kunnen ze ons vinden. ’ Er klonk enige hoop in zijn stem. Maar Josine dacht daar heel anders over. Zulke leuke honden, en dan nog teven ook, wie ze vond zou ze zeker houden en er eindeloos nestjes mee gaan fokken.
‘We zijn ze kwijt,’ zei ze. Ze huilde alweer. Hoe had dit allemaal zo vreselijk verkeerd kunnen gaan?
Toen de koffie op was stapte Marc in de auto en reed naar het dorp. Josine bleef achter en trok haar jas en winterlaarzen weer aan: het was lichter geworden en ze wilde toch gaan zoeken. Een uur lang liep ze rond en riep zo vaak tot haar stem het begaf. Toen ging ze terug naar het huis. Marc had ook nog geen nieuws. Ze zaten tegenover elkaar aan de keukentafel en kwamen tot niets.

Pas toen het al begon te schemeren bedacht Josine dat ze nog helemaal niets gegeten hadden sinds het ontbijt. Op dat moment werd er op de deur geklopt.
Toen Josine open deed stoven er twee wild enthousiaste honden naar binnen, sprongen tegen haar en Marc omhoog. In het tegenlicht zag ze een oudere man. Hij glimlachte en vertelde dat hij de honden gevonden had in het bos, tenminste, dat kon ze tussen het geblaf van Coco en Belle door begrijpen. Hij zei nog een heleboel maar daar werd ze geen wijs uit. Ze kon de man wel omhelzen. Maar nog voordat ze hem iets hadden kunnen aanbieden schudde hij hen de hand en vertrok. Zijn auto met aanhangertje stond op de oprit. Hij stak nog even zijn hand op voor hij instapte.

Toen hij de auto draaide zag ze boven de laadbak twee poten uitsteken, de elegante hoefjes wezen naar de lucht. De kop van de ree hing half over de achterkant heen, haar hals zwaar gehavend. Een van de honden likte haar hand. Ze trok hem snel terug.






















zondag 16 november 2014

Buurman


Buurman is niet meer. Na een lang, rijk gevuld leven moest er zich toch nog even zo’n akelig gezwel nestelen op een onhandige plek in z’n lichaam. De laatste keer dat ik hem sprak, nog geen week voor zijn dan toch plotselinge overlijden, had hij een angstig gele gelaatskleur. We hebben toen wat staan filosoferen over wat hem nog te wachten stond. Zo doe je dat dan met iemand die aan het eind van zijn leven gekomen is en daar ook een zekere berusting in lijkt te hebben gevonden. Hij had nog steeds dat ondeugende lachje waarmee hij de dingen vaak nam zoals ze kwamen. Zijn hele leven was hij bakker: hij kende alle mensen in de wijde omtrek. Hij had veel gezien, veel gepraat en over veel dingen gezwegen. Het was een wijze man, vond ik. Prettig in de omgang, niet belerend en met een open oog en geest. Een beetje zoals je zelf oud hoopt te worden. Geen gezeur en gezanik over dat vroegûh alles beter was. Dat vond hij namelijk he-le-maal niet.  Zeker niet als hij verhalen vertelde over barre wintertochten op de stijf bevroren zandwegen, met de broodkar.

Een paar weken geleden vroeg hij nog of ik vrienden met ‘m wilde worden op Facebook. En vond hij dingen leuk die ik en anderen erop zetten. Erg lang heeft hij van zijn nieuw verworven vriendenkring niet kunnen genieten.  Want al snel werd hij door een oude traditie ingehaald: buren die bij elkaar kwamen voor het rouwbeklag, koffie schonken, meehielpen alles op rolletjes te laten lopen. Voor ons was daar geen speciale taak weg gelegd: wij hadden, onwetenden uit het Westen, nooit  ‘echte’ buren gemaakt. Het voelde toch een beetje raar, dat wij, naaste buren, het moesten afleggen tegen mensen die honderd meter verderop wonen. Maar zo zijn de tradities en die worden op dagen als deze hoog gehouden. En dat is ook mooi. Dus moeten wij dat misschien toch maar eens doen, buren maken.

dinsdag 21 oktober 2014

Het liefste dat er is







Sinds januari zijn wij trotse grootouders van Eefje. Hoewel we aan het woord ‘grootouders’ nog niet helemaal kunnen wennen, kunnen we dat aan Eefje wel. Met de week wordt het leuker, oma en opa zijn. Het kleine ding straalt als ze ons ziet, lijkt ons echt te herkennen en ze slaagt er natuurlijk in ons om haar minuscule pinkje te winden. Het allerliefst is het natuurlijk als je haar op de arm hebt en ze haar gezichtje in je nek duwt als ze verlegen is een nieuw persoon te zien. Dat jij dus te vertrouwen bent. Ik vind het ook geweldig om gewoon alleen maar te kijken naar wat ze doet. Het razendsnelle leren, niet alleen lichamelijk, maar ook hoe je met elkaar omgaat. Ze merkt precies wanneer ze met bepaalde handelingen succes heeft: gaan mensen lachen omdat ze bellen blaast, dan doet ze dat nog een keer. En nog een keer.

Waar ik ook blij mee ben is dat haar ouders haar gewoon in het gras laten kruipen. Dat het een lekker vies meisje wordt, bij tijd en wijle. Dat ze de aarde waarop ze leeft letterlijk leert proeven en niet straks voor elk torretje en spinnetje bang is.

Het is natuurlijk heel ‘gewoon’,  de voortplanting, die biologische drang je stempel op je nageslacht te zetten, maar tegelijkertijd is het ook weer uniek, zo’n nieuw klein mensje.  Vind jij, als oma. Dan stuurt een andere oma je een whatsappje met een filmpje van haar kleinzoon. En die doet preciés hetzelfde als dat kleine meisje van jou. Op de tafel meppen en babababa gillen. Zo word je weer even op je plek gezet. Want al kan het tempo verschillen, we doen dus gewoon allemaal hetzelfde en uiteindelijk worden we, met vallen en opstaan, groot. En met een beetje geluk, grootouder.

www.naober.nl  Column week 42

dinsdag 7 oktober 2014

Naober.nl 3 oktober Strijkplank





Laatst zette een FB vriendin haar strijkplank op de foto. Uit haar onderschrift sprak een warme waardering voor deze onmisbare huishoudhulp. Ik heb een tijdje naar die foto zitten kijken en er over nagedacht hoe aardig het is zo’n oude, trouwe dienares eens in het zonnetje te zetten.

Met mijn eigen strijkplank heb ik al zo lang ik haar heb een haat-liefde verhouding. Ik kreeg haar mee toen ik op 17-jarige leeftijd op kamers ging. Mijn moeder, kringloopster avant la lettre, had haar uit de boedel van de bejaarde buren gered. Het is een Brabantia, misschien wel van vlak na de oorlog, ze weegt volgens mij een kilootje of twintig. Omdat ze een door merg en been gaand geluid maakt als je haar uitklapt (of invouwt) vluchten Suus en Ronja de kamer uit als ik alleen de kast waarin zij staat maar open doe. Vervolgens wil die plank halsstarrig niet in de hoogste stand. Om dat voor elkaar te krijgen moet ik levensgevaarlijke capriolen uithalen, namelijk mijn voet in de ene helft van het onderstel plaatsen en het andere deel dan omhoog sjorren.  Pas dan krijgt de plank de voor mij ideale hoogte.

Nu zult u zeggen, waarom heb je dan nooit een andere gekocht? Deze suggestie is mij ook al vaak door Hoofd Binnendienst gedaan, als hij mij weer eens  foeterend aantrof met mijn onhandelbare plank. Maar misschien heb ik toch wel een beetje hetzelfde als Beppie. Uiteindelijk verleent die plank bij elkaar al wel zo’n zestig jaar trouwe dienst. Ik ben helemaal niet zo’n strijkster, maar ik houd ervan theedoeken en kussenslopen mooi glad te strijken, het geeft me rust. En daar helpt zij me bij. Dus bij dezen: een eerbetoon aan deze weerbarstige, maar solide dame. Ik ga een mooi nieuw overtrekje voor haar kopen.




donderdag 2 oktober 2014

Iglo Fishcuisine - een graatje met een staartje




“Lieve Mevr. Cazemier,
Wij hebben uw klacht in verband met ons product, de Iglo Fishcuisine Bretagne, goed ontvangen en danken u voor het melden ervan.”

Zo begon de brief die ik ontving na het melden van een stuk verwrongen ijzerdraad dat ik tussen mijn kiezen vandaan peuterde tijdens het eten van bovengenoemd gerecht. In ieder geval had ik het niet doorgeslikt, dat was al wat. Ik fotografeerde het vreemde voorwerp van alle kanten, maakte een kopie van de verpakking + productiecode en stuurde alles per mail naar de Iglo Consumentenservice.

Na enkele dagen kreeg ik een telefoontje uit Engeland met het dringende verzoek het item op te sturen naar een adres in Breda. En natuurlijk deed ik dat.

Vervolgens ontving ik de brief waaruit ik de aanhef heb geciteerd. En er kwam nog meer:
‘Als commercieel gebaar sturen wij u graag deze VVV cadeaubon ter waarde van 5,-- Euro.’
Toch enigszins verbijsterd door dit royale gebaar legde ik e.e.a. aan de kant en ging verder met op dat moment belangrijker zaken. In juni vond ik de brief weer en besloot er toch nog eens een mailtje aan te wagen. Dat ik het eigenlijk een lachertje vond, dit ‘commerciële’ gebaar van een grootmacht als Unilever. Dat het héél anders af had kunnen lopen, met dat ijzerdraadje en dat ik deze gebeurtenis eigenlijk wel 100 euro waard vond.

Er gebeurde niets. Ik ging op vakantie en stuurde nadat ik terug was het mailtje nog een keer, nu begeleid met de vraag waarom er niet op het mailtje geantwoord was?
Na een paar dagen zag ik weer het Engelse landennummer op de display van mijn telefoon. Ik kreeg een soort stagiaire aan de lijn die mij, namens haar manager, een paar vragen moest stellen. 

‘Shoot,’ zei ik.
‘Waarom ik zo lang gewacht had met reageren?’ Of dat iets ter zake deed, maar dat wilde ik best even uitleggen. ‘Waarom ik honderd euro wilde hebben?’ Omdat ik maar net zo’n willekeurig bedrag noemde als zij mij gestuurd hadden: de kosten van een bakje Fishcuisine bedragen 5,--  en ik had nogal wat kosten meer gemaakt. Zo babbelden we nog wat door, met op de achtergrond soms gefluister. We hingen op. Na een half uurtje belde ze nog een keer. ‘Of ik ook naar de tandarts had gemoeten?’  Nee, ik was er zelf in geslaagd het voorwerp tussen mijn kiezen vandaan te peuteren. Maar dat ik vooral toch wel erg blij was dat het niet ergens in mijn strottenhoofd was blijven steken, met alle fatale gevolgen van dien. 
Ze hield even haar adem in voordat ze het gesprek beëindigde.


Dat was eind juli en hierna is het stil gebleven. Dus daarom dacht ik, kom, ik schrijf er maar eens een blogje over!


UPDATE: op donderdag 8 januari werd ik gebeld door Mevrouw Iglo: excusus dat het éven geduurd heeft, maar: ze gaan me een cadeaubon van 50 euro toesturen, de lieverds! We gaan het zien.

vrijdag 12 september 2014

Meisjes, overal meisjes




Een ambitieus en tikje heikel plan: Hema zet zichzelf in de etalage door ‘gewone klanten’ te laten bloggen.  Met nog dik 900 uitverkorenen neem ik deel aan de eerste Hema Blog Academy.

CEO Ron van Zetten (50+) trapt af en houdt ons voor hoe snel de tijden veranderen, maar dat het aloude Hema adagio: ‘een goed product voor een goede prijs’ blijft. Is vandaag de gemiddelde leeftijd van Nederlanders 40 jaar, over tien jaar is dat 50! In de veronderstelling met dit marketinggegeven aan de slag te gaan, verheug ik mij op de rest van de middag.

De Hema heeft Fashiolista Agency ingehuurd: een club bloggers over mode. Er blijken al 22 ‘echte’ Hemabloggers aan het werk: vier ervan mogen vertellen over hun blog. Met stijgende verbazing hoor ik hun verhalen aan. Het schattige meisje dat haar vriendje belde om te vragen welk van de twee serumpjes ze nu zou kiezen en hij haar suggereerde een blog te beginnen waar ze met dit soort problemen aan de slag kan. Inmiddels wordt ze helemaal blij van het mooi fotograferen van lipsticks. De zonder enig spoor van dialect pratende ukkepuk die het vanuit zijn Noord-Drentse gehucht heeft geschopt tot modeblogger. Mode? Waarom gaat het steeds over mode? Dat is toch niet de eerste associatie die ik heb met Hema. Ik kijk voorzichtig om me heen. Ik voel de generatiekloof gapen. Hoeveel leeftijdgenoten zie ik? Volgende vraag: waarom zijn wij oudjes eigenlijk uitgenodigd? Op de uitnodiging sta ik te boek als ‘ervaren blogger.’ Dat klopt ook, maar daar sluit het programma bepaald niet bij aan.

Want na de pauze komt Lara Michels aan het woord, modeblogster van het eerste uur. Gelauwerde meid, enthousiast en reeds op 25jarige leeftijd flink door de wol geverfd. Zij praat ons bij over de ins en outs van het succesvol bloggen. Ze vertelt het type successtory dat de aanwezige meisjes heel graag horen. Eentje vraagt bezorgd of ze er wel aan gedacht heeft een KvK nummer aan te vragen toen ze van haar hobby haar beroep maakte. En een andere blogster-in-spé vraagt haar of ze ook een gezin heeft. Lara blogt in het Engels. Stelt de doorsnee Hemaklant dat ook op prijs? Ik kan er niks aan doen, maar ik begin toch echt een beetje op mijn stoel te draaien.

Waarom ben ik hier? Ik draag vandaag een bh en sokken van de Hema. Ik had verwacht dat we mooie Echt Hema verhalen zouden mogen schrijven. Een verslag over mijn laatste aankoop, een digitale weegschaal, een liefdesverhaal over de marsepeinen aardappeltjes, een lofzang op de Hema cappuccino. Verhalen waarin de consument zich kan herkennen.

Maar nu geloof ik dat ik er niet helemaal bij hoor, bij de Hemaconsument. De fashionista’s dat ik hier vanmiddag heb gezien kom ik in de Hema nauwelijks tegen. Wel ‘gewone’ vrouwen van allerlei leeftijden die kaarsen, ondergoed en panty’s kopen. De trouwe Hema-klant, dus. Daar zou ik graag over en voor willen bloggen. Hema maakt het gewone bijzonder. Zullen we dan nu weer gewoon gaan doen en dáár iets bijzonders van maken?