dinsdag 20 september 2016

Kanker is er





Op 20 september 1997 gaat om kwart voor zeven ’s ochtends de telefoon. Ik hoef hem niet eens op te nemen om te weten wat de boodschap zal zijn.
Mijn broer heeft mijn moeder in de ogen gekeken en gezien dat het vrijwel over is. En dan sta ik voor mijn kledingkast, op deze stralende septemberdag. Wat trek je aan op de dag dat je moeder sterft?

Mijn moeder stierf aan de gevolgen van borstkanker, die ze vijf jaar daarvoor, twee maanden nadat ze gecontroleerd was door de borstenbus, zelf constateerde. Een operatie, bestralingen: meer was niet nodig. En toen brak de Angst aan. Angst voor de controles, angst weer iets te voelen. Ze leefde op geleende tijd, de opluchting na een controle duurde maar kort. In januari 1997 kreeg ze last van hevige rugpijnen. En al snel was er het vonnis: uitbehandeld. Maar ja, dat levert natuurlijk niets op dus de ene na de andere chemokuur volgde. Ze verloor haar haar, haar eigen cynische, lichtboosaardige zelf en haar waardigheid en wij verloren onze moeder al veel eerder dan ze daadwerkelijk stierf.

Vijfenzestig was ze. ‘Veel te jong,’ vond iedereen om me heen. Ik was nog geen veertig en vond vijfenzestig helemaal niet jong. En dat vind ik, nu ik over ruim een jaar net zo oud ben als zij toen ze haar knobbel vond nog steeds. ‘Ze heeft zo gestreden,’ zeiden mensen troostend bij de condoleance. Ook daar kon ik niks mee. Hoezo strijd? Kanker overkomt je toch gewoon? En in veruit de meeste gevallen omdat je eigenlijk gewoon je taak als mens hebt volbracht: je bent opgegroeid, hebt min of meer iets voor de samenleving betekend en vooral: je voortgeplant. Daarvoor zijn we nu eenmaal op aarde, net als alle andere beesten om ons heen.

‘Ik hoop nog zo dat ik mijn kleinkinderen kan zien opgroeien,’ schreef mijn moeder mij in een brief voordat ze geopereerd werd. En ik dacht: ‘Je hebt je kinderen toch op zien groeien tot mooie mensen? Waar houdt het op?’

En nu moeten we lopen voor kanker, tegen een berg op fietsen voor kanker, met de hond wandelen voor kanker: ik kan er helemaal niks mee. ’Kanker de wereld uit,’ is een domme en leugenachtige kreet.  Ik zou een nieuwe actie in het leven willen roepen: Accepteer Kanker. Stop met al die zinloze, mensonterende behandelingen bij mensen voor wie het einde al lang in zicht is.
Pas dan kunnen we terminale kankerpatiënten de zorg en aandacht geven die ze verdienen, ze vertroetelen, hun haren kammen en een lekker luchtje achter hun oren wrijven. En ze dat éne lepeltje roomyoghurt met honing en walnoten voeren. En dan zonder spijt en schaamte laten gaan.



donderdag 25 augustus 2016

Levensvragen




Vanmorgen zitten we buiten te ontbijten. Hoewel de herfst zich al laat zien in het natte gras en de vallende blaadjes van de acacia, is het nog steeds zomer en dat zullen we in de loop van de dag gaan merken ook.

Onze ontbijtthee is al jaren de oude, vertrouwde Pickwick. Heeft de keuze aan middag- en avondthee inmiddels een halve plank in mijn keuken ingenomen, ’s ochtends smaakt alleen dat bungelende theezakje.
Nu hebben ze bij DE mensen in dienst genomen die de hele dag teksten voor op het labeltje aan het theezakje zitten te bedenken.  Als ik het labeltje van de dag ’s ochtends lees zie ik steevast het beeld van een paar jonge mensen die ingespannen achter hun laptopje vragen bedenken voor op het labeltje. Voor hen op tafel staan verschillende mokken gevuld met thee, natuurlijk. En elkaar dan maar inspireren! Wat voor opleiding wordt er verwacht van een labeltjestekstschrijver?   Hoeveel vragen zouden ze al bedacht hebben? Wat gaan ze doen als alle vragen op zijn?

Deze ochtend maakt de vraag op het labeltje voor het eerst iets bij me los. Ik word er een beetje kribbig van, ik ben niet zo dol op dat woord, ‘dankbaar.’  Het heeft iets passiefs, dat woord, en tegelijkertijd iets dwingends. Alsof je vaak niet zelf de hand gehad hebt in hetgeen waarvoor je dankbaar moet zijn. Ik krijg zin om er iets onaardigs over te zeggen en ik neem mijn laptop mee naar mijn plek in de boomgaard.

En dan zit ik hier in mijn mooie  huisje en kijk uit op de volgeladen appelbomen en de picknicktafel met het kleurige kleed er overheen waar we gisteren met vrienden thee en zelfgebakken cake nuttigden. Het volmaakte landlevenplaatje.  In mijn gezellige huis dartelen zeven drieënhalf weken oude pups in hun tijdelijke verblijf, met de kinderen gaat alles goed en straks ga ik nog even sperziebonen plukken. De boze buitenwereld is hier héél ver vandaan.


Opeens zitten er zes piepjonge pimpelmezen in de appelboom naast me. En ik kan het niet anders omschrijven, het gevoel dat ik nu heb. Dus Pickwick, hierbij mijn antwoord. En ook een beetje bedankt.


vrijdag 12 augustus 2016

Op zoek naar rust



In augustus kamperen we met onze bustent in Midden-Frankrijk. We staan op een kleine camping, beheerd door een  Nederlands stel. Er is plaats voor een stuk of twaalf tenten en aangezien er behalve keramiek- en yogales niets te beleven valt is het een plek die uitstekend geschikt is voor rustzoekers. Op onze plek kijken we vanaf de heuvel het dal in, bij aankomst leek het een prima plek maar later op de middag moeten we achter de auto kruipen om ons aan de brandende zon te onttrekken. 

Op de mooiste plek van de camping, een meter of dertig naast ons, staat onder een enorme eik een bleek Nederlands gezinnetje, vader, moeder, dochtertje van een jaar of 9: ze zoeken zoveel rust dat ze zelfs geen goedendag zeggen als ze ’s ochtends  met hun emmertje met plas voorbijkomen.

Als we twee dagen na aankomst  ’s ochtends wakker worden is er op de plek naast ons een gezin met een hoop jongens gearriveerd. Ze beginnen diverse tenten op te zetten en dan blijkt dat wij er met onze auto niet meer uitkunnen.  Omdat we misschien toch al een beetje breed opgesteld stonden besluiten we de hele boel een paar meter op te schuiven, dan kunnen we meteen wat meer schaduw pakken en is iedereen blij. De jongens zijn na een lange autorit toe aan wat beweging en geschreeuw, dus die beginnen gelijk te voetballen.

Ik zie onze buurvrouw (die ik voor het gemak Deegsliert genoemd heb) verderop met vertrokken mond toekijken. Ze neemt een grote omweg met haar emmertje. Ook manlief beent in de richting van het huis waar de eigenaren van de camping in hun zelf gecreëerd paradijsje wonen .
Opeens staat Deegsliert naast me. ‘Dat wil je toch niet, een stelletje pubers naast je! Wij komen hier voor onze rust!’ Ze kijkt samenzweerderig. Even bedenk ik me dat ik zal zeggen: ‘Ook goedemorgen,’ maar dan komt er heel wat anders uit: ‘Ach, die jongens moeten even uitrazen.’ Nou, daar denkt de buurvrouw héél anders over. Van zoveel jongensgeweld is ze absoluut niet gediend. De buren merken wel wat er aan de hand is en doen erg hun best heel vriendelijk over te komen, wat ze niet hoeven te doen want het zijn gewoon aardige mensen.


Nu begint het grote geschipper voor de eigenaren van de camping. Meneer komt kijken of iedereen tevreden is. Wanneer ’s middags een camper arriveert met nog meer jongens en er gezamenlijke barbecueplannen op het menu staan verzoekt mevrouw die barbecue liever op de plek waar de camper staat te houden, wat ook gebeurt.

De dag erop vliegen er ingepakte slaapzakken de tent van onze rustzoekende buren uit waarna ze hem met driftige bewegingen afbreken. Ze gaan de tent op het veldje verder naar beneden opnieuw opzetten. Daar waar de tenten met de jonge gezinnen staan. Als ik die nacht even wakker word hoor ik in de verte uit één van die tenten babygehuil komen. Even later klinkt ook uit een andere tent een oorverdovend gekrijs op, tenminste voor wie er bij in de buurt staat. Bij onze buren is alles rustig. Ik draai me lekker om en slaap snel weer in.

donderdag 30 juni 2016

Paspoort in Parijs

Broer heeft een nieuw paspoort nodig. Het oude is al vijftien jaar verlopen dus het wordt wel eens tijd. Hij heeft van internet alle voorgeschreven formulieren gedownload en ingevuld maar het paspoort zelf moet in persoon aangevraagd worden in de  ambassade in Parijs. Hij heeft een afspraak en we gaan gezellig samen met de trein. Kunnen we ook eens rustig over van alles en nog wat praten, ouderwetse broer-zus kwaliteitstijd. Na de koffie in La Noblet gaan we naar L’Aigle, waar hij in een pasfotomachine vier identieke pasfoto’s van zichzelf maakt. Hij kijkt er nogal woest op.

We arriveren in Montparnasse waar een van Broers dochters ons opwacht, zij heeft vandaag ook iets te doen in Parijs. Zij en Google maps brengen ons met gezwinde pas bij de ambassade. Tien minuten na de afgesproken tijd schuift er een mevrouw achter de balie. Uiteraard kunnende pasfoto’s niet door de beugel. Ze legt uit waar we wel goede pasfoto’s kunnen laten maken, we moeten met de metro naar de Champs Elysées en dan  zullen we in een winkelcentrum een kleine fotozaak vinden waar men pasfoto’s onder strikt Nederlandse voorwaarden maakt. ‘U bent er ongeveer een uur zoet mee, heen en terug.’ Hieruit spreekt jarenlange ervaring.

En zo reizen we af naar de Champs Elysées. Sinds mijn laatste bezoek in Parijs is er iets veranderd: langs de metro perrons zijn  glazen puien met schuifdeuren opgesteld. Voor de metro springen is nu uitgesloten. Tussen die deuren komen terwijl de metro alweer vertrekt, kan nu wel. De waarschuwende tekeningen laten niets aan de verbeelding over.




We vinden de winkel zonder problemen. Hij doet voorwereldlijk aan in deze tijd van digitale fotografie. De eigenaar ook. Hij stelt zijn machine in op Pasfoto voor Nederlands Paspoort en neemt een foto uit de losse hand. Die keuren we in consensus af. ‘Optimistisch kijken,’ roep ik want dat heb ik geleerd van een pasfotograaf. Weer hurkt de bejaarde fotograaf licht door de knieën en knipt één keer.  Deze is inderdaad een stuk beter, al twijfelt de man een beetje over een wat al te wilde haarlok. Met een schuifmaat in de ene en de pasfoto’s in de andere witgehandschoende hand meet hij de verhoudingen na. Het kan nét.




Terug in de ambassade zijn er nu ook andere Nederlanders die een paspoort willen. Een grote, naar later blijkt Kongolese vrouw heeft een kleine baby op haar buik en een tas met een stapel papieren van ruim twaalf centimeter dikte. Ze is hier om voor haar zoontje een paspoort aan te vragen. Ze heeft alle veertien gevraagde formulieren ingevuld, maar er  moeten hier en daar nog wat puntjes op de i. Het lijkt allemaal redelijk soepel te verlopen totdat blijkt dat ook de vader een paar handtekeningen moet zetten. Dit brengt onrust bij de jonge moeder. De mevrouw achter de balie voelt met haar mee, dat kun je aan alles merken. ‘We moeten zijn burgerlijke staat weten….’ begint ze. ‘Hij is op vakantie,’ zegt de jonge vrouw. Dat de baliemedewerkster dat niet bedoelt, wordt haar even later duidelijk. ‘We zijn nog niet getrouwd.’ Ze schikt haar papieren. ‘Ik ben de moeder, ik heb mijn kind gebaard, aangegeven, alles geregeld, ik weet niet wat ik nu nog meer kan doen.’ De baliemedewerkster heeft het over een geboortebewijs. Meewarig kijkt de zwarte vrouw haar aan. ‘Serieus? Hij komt uit België, uit de Kongo. Denkt u echt dat ze daar….’ Ze pakt haar papieren in. Ze hijst haar tassen over haar schouder en slaat een beschermende arm om haar slapende baby. ‘Hoe moet dat  lukken, een paspoort voor mijn zoon,’ zegt ze gelaten en verlaat het pand.

Broer is er intussen bijna. De foto’s zijn goedgekeurd, zijn vingerafdrukken genomen, wat er nog ontbreekt is een uittreksel uit het geboorteregister. Voor het aanvragen van een paspoort is het noodzakelijk te weten of Broer echt nog Nederlander en niet stiekem tot Fransman genaturaliseerd is. En wie zijn vader en moeder zijn. Als al die gegevens binnen zijn, gaat de aanvraag de procedure in. En of hij maar even 113,50 wil afrekenen.



We wandelen naar de Eiffeltoren en zijn het erover eens: het aanvragen van een paspoort kent vele haken, ogen en onbegrijpelijke eisen. En dat je wel regels moet hebben, anders wordt het een zootje. Maar had nou niet iemand gewoon stiekem een krabbeltje kunnen zetten op dat formulier van die jonge moeder? 

maandag 6 juni 2016

Op Sardinië



We vlogen naar Olbia aan de noordkant van Sardinië, het vliegtuig was flink vertraagd maar we landden nog net bij licht: we zagen rotsige kusten, eilandjes waar witte bootjes omheen cirkelden, een zee in vijftig tinten azuurblauw.

De dagen daarna toerden we langs slingerende wegen, bekeken we enkele Nuraghi, prehistorische restanten van het volk dat op het eiland leefde en waarvan niemand precies weet waar het vandaan kwam. Er waren er veel en ieder dorp dat van die overblijfselen bezit probeert er een toeristisch slaatje uit te slaan: talloze bordjes beloofden ons archeologische musea, maar als we er al in slaagden de gebouwen waar ze gehuisvest zouden moeten zijn te vinden, troffen we gesloten deuren. In  Torralba kon ik door het raam kijken en zag ik een modern vormgegeven lege balie met twee verlaten stoelen erachter, wat ongeopende post achter de ingang. In Bonorva  was een Sardijnse zo behulpzaam voor ons uit te rijden naar het Museo Archeologico. Nadat we haar hadden uitgezwaaid vonden we in het portaal alleen een doos oude beschimmelde folders, in het Duits.

 Onze reis voerde ons ook naar Cagliari, de zuidelijke havenstad, die me in allerlei opzichten deed denken aan Barcelona. Hoge gebouwen, steile, smalle straatjes en een B&B in het levendig middelpunt. Als we de auto wilden parkeren schoten behulpzame zwarte jongens op ons af, wezen ons een lege plek en haalden een parkeerkaartje, waar ze zelf dan een halve euro aan verdienden. Nadat me dat eerst ergerde begon ik deze werkwijze later wel te waarderen. Ze deden tenminste iets voor hun geld en bedelden niet. We zagen dat ook veel Sardijnen van hun diensten gebruik maakten.


’s Ochtends ontbeten we in een zaakje dat volstond met de heerlijkste taarten en gebakjes, maar in tegenstelling tot onze eerste B&B, een Agriturismo bij Arzachena, kregen we hier alleen een mand broodjes met jam in kartonnen bekertjes.  We aten de drie avonden dat we er waren heerlijk en vooral veel in drie verschillende restaurants. Hoe precies de volgorde van de antipasti’s en tweede gangen over de maaltijd verdeeld was bleek iedere keer weer een verrassing. Maar het eten was vers en  puur en het werd met trots en élégance geserveerd.

In Cagliari is wel een museum dat open is, maar uiteindelijk zijn we daar niet aan toe gekomen. Er is ook een lift naar het uitzichtpunt boven de stad, maar die was, zoals een versleten papier liet lezen, tijdelijk buiten bedrijf. En toen we er dan maar naartoe gelopen waren was het hele plein afgesloten wegens onderhoud. Dat zijn van die dingen die je overkomen als je in het voorseizoen op vakantie gaat.


Onze laatste bestemming was Alghero aan de oostkust, waar we via een schitterende weg heen reden.  Wat is er leuker dan over niet de meest voor de hand liggende wegen te rijden en koffie te drinken in het lokale café, te midden van door elkaar pratende mannetjes die samen grote flessen bier delen en op die manier honderd worden. Twee slokjes espresso en verder ging het weer.

Onze B&B aan zee lag in Fertilia, een merkwaardig communistisch aandoend voorstadje. Later las ik dat het door Mussolini gesticht is als landbouwgemeenschap, om mensen die aan de omringende droog te leggen moerassen werkten te huisvesten. Een deel van de woonkazernes staat leeg, in een straat met aan weerszijden arcades zijn diverse winkels en eetgelegenheden gevestigd maar echt gezellig ziet het er niet uit.

Vanuit onze luxe kamer met balkon en uitzicht over zee waagden we ons de eerste avond aan het in die arcade gevestigde restaurant Acquaria, op loopafstand. Het bleek er geweldig, aardige mensen en van de eigenaar mochten we niet weg voordat we een glaasje Limoncello hadden gedronken.
Alghero is een leuk, toeristisch stadje. Onderweg in een dorp, met de bedoeling iets te drinken te kopen, vonden we in een winkel de in de reisgids geroemde handwerkkunst: op een speciale manier geweven kleedjes. Voor een paar euro was zo’n kleedje van ons en ben ik er in geslaagd die er nog bij te proppen, in de handbagagekoffer.

Tja, wat verder? De Costa Smeralda, één van de meest mondaine kusten van Europa maar stijlvol en mooi bebouwd , de vele stranden, soms met hagelwit, soms met gemberkleurig zand, de vreemd verstopte Nuraghi’s, de bij tijd en wijle onaangenaam waaiende mistral, de knalblauwe luchten, de bloeiende oleanders, de bonte kraaien, flamingo’s en bijeneters, het nagenoeg ontbreken van grote roofvogels, de grote schaapskuddes die soms een heel stuk over de weg moesten, de praktische, bijna Spartaanse huizenbouw die mooi wordt door de bonte kleuren waarin de huizen gepleisterd zijn, de prachtig begroeide bergen en heuvels, de parkeerplaatsen die gebruikt worden om afval te dumpen, het heerlijke, rijpe fruit en het enorme voedselaanbod in de overdekte markt van Caglieri, de heerlijke Cannonau en natuurlijk het goddelijke ijs. Een eiland waar de moderne welvaart de kleinschaligheid niet heeft verdrongen, waar de kleine schrale akkers bewerkt worden door boeren en hulpen met kleine tractoren maar die kennelijk genoeg opleveren om niet aan schaalvergroting te hoeven denken. Waar de mensen een gelukkige, ontspannen indruk maken en waar je dus met gemak honderd kunt worden. We kunnen er ons na ons bezoek iets bij voorstellen!



vrijdag 20 mei 2016

Boswandeling



Vorig voorjaar gingen we op een zonnige dag wandelen in ons favoriete natuurgebied in Kring van Dorth met een oud-collega & supervogelaar. Zo’n type dat iets voorbij ziet vliegen en roept: ‘Een bonte vliegenvanger!’ of ‘Kijk daar, een Fitis,’ en je kunt zo snel niet kijken of je  ziet alleen nog een staartje. Tijdens de maaltijd in de tuin ziet en hoort hij ook een ongekende hoeveelheid jou tot dan toe onbekende erfvogels. Hoofd Vogelaar neemt regelmatig gezang op met zijn telefoon en laat dat dan aan hem horen: binnen drie seconden roept hij: ‘Zwartkop!’ ‘Tuinfluiter!’ Ja, nou dat kan iedereen wel zeggen. Gelukkig was zijn vrouw ook mee, dus wij konden het ook over andere dingen hebben.

Hoe dan ook, we liepen door dat bos (‘Wielewaal, kijk d…’) en lieten onze honden los. Dat mag daar niet en dat weten we ook wel, maar zulke blije hondjes voortdurend aan de lijn houden is voor niemand leuk. We kwamen andere mensen tegen, die keurig hun hond wel aangelijnd hadden en ons wat misprijzend groetten. Onze Smouzen stoven zo nu en dan in grote eensgezindheid het bos in om een muis of iets anders dat door het struweel ritselde te grijpen. Ze vermaakten zich kostelijk. We wandelden en babbelden over van alles en nog wat ( ‘Twee vechtende Groenlingen!’). Aan het einde van het pad dat we volgden begonnen de weilanden. Wij dames waren nog wat achter gebleven om een paar bloemen te bewonderen, toen Hoofd Roodwild ons sissend riep: ‘Kijk daar, een ree met een jong!’ Wij renden struikelend naar de bosrand. Inderdaad vloog er een ree met grote sprongen (Capriolus Capriolus) door het hoge gras, op enkele meters gevolgd door haar kalfje. Wat alleen wat vreemd was: het kalfje blafte. Paniek maakte zich van ons meester.  We riepen Ronja om het hardst en gelukkig zag ze in dat deze prooi voor haar een maatje te groot was. Hijgend en om goedkeuring vragend keerde ze terug. Wat ze kreeg was haar riem. En voorlopig houden we ons aan de voorschriften van de bordjes Opengesteld. 


maandag 18 april 2016

Dertig gram verdriet

Hij is nauwelijks vertrokken om de honden uit te laten of hij is alweer binnen. In zijn rechterhand liggen twee stille vogeltjes. ‘Die lagen hier voor op het pad, naast elkaar.’ Ik neem ze over. ‘Ik denk niet dat ze dood zijn, ze zijn gewoon in shock,’ zegt hij dapper. En gaat weer naar buiten.

Vorig jaar raapte ik eens een winterkoninkje op dat tegen het raam vloog. Hij lag met een knikkend kopje voor dood in mijn hand maar opeens kwam er een schelle piep en een poepje en weg was hij.



Nu kijk ik naar de geloken oogjes en probeer de bottige lijfjes weer op te warmen met mijn handen. Maar er gebeurt niks. Hun bonte lentekleding lijkt van dichtbij met een fijn penseel geschilderd op de donzige veertjes. Zoveel kleuren! Zoveel plannen voor dit voorjaar. Niets zal ervan terecht komen. 

Straks, als hij thuiskomt, mag hij een gaatje graven om ze samen in te leggen. 

Twee dolverliefde blinde vinkjes.