zondag 2 oktober 2016

Wecken in de oven: appelmoes

Mijn ervaring is dat veel van wat je weckt, inmaakt, droogt of op wat voor wijze dan ook conserveert nooit opgegeten wordt. Zo maak ik al jaren geen chutneys meer, hoe leuk dat ook klinkt. Na een paar eetlepels eruit geschept te hebben blijft zo'n pot een half jaar in de koelkast staan om dan alsnog een droevig einde te vinden in de groene bak. Het potje kan je dan wel weer gebruiken, maar ja. Wat moet daar dan in?

Wij zijn in het gelukkige bezit van een oude hoogstamboomgaard. Zodoende worden we jaarlijks (al dan niet) overspoeld met appels. Om zo te eten zijn ze niet zo lekker. Maar verwerkt tot sap bij Mobipers zijn ze best te pruimen. En ook voor appeltaart zijn ze heel geschikt maar ja, je kunt maar zoveel appeltaart eten. En je kunt er natuurlijk moes van maken. Maar zeg nou zelf: wanneer eet je nu als volwassene appelmoes? Maar toch......

Deze zomer heb ik toen ik in La Noblet was bij Boboco een paar traytjes kleine potjes gekocht, voor ca. 110 ml. Mijn ervaring met zelfgemaakte jam was namelijk hetzelfde als met chutney: halverwege de (grote) pot was de zaak verschimmeld. De kleine potjes gaan schoon leeg en heb je niet voor niks staan te koken!
Dus zo deed ik dat vandaag ook met de appelmoes.



Ik boor het klokhuis uit de appels en snijd ze in stukken of gebruik zo'n appelsnijder van Ikea. Met schil gaan ze in de pan met een glaasje appelsap. Blijf er een beetje bij in de buurt! Aangebrande appelmoes, daar kun je niks meer mee. Ondertussen kun je b.v. alles voorbereiden voor het bakken van een appeltaart.



 


Uiteraard moeten de potten & deksels schoon zijn, maar dat gedoe met soda stamt uit Grootmoeders tijd, toen hadden we nog geen vaatwasser & geen afwasmiddel. Even naspoelen met kokend water en laten wachten op een schone theedoek. Oven voorverwarmen op 120-150 graden.

Omdat wij niet van appelmoes met brokjes houden maak ik de moes fijn met een staafmixer. Wel uitkijken voor die gloeiendhete spetters! Hierna giet ik de potjes vol met behulp van een vultrechter. Deksels erop, ovenschaal vullen met vier centimeter hoog  kokend water, potjes er in en nu een uur laten sudderen.

Potjes er weer uit en 10 minuten op hun kop zetten. Als het goed is zie je de appelmoes bubbelen in de pot. Vervolgens weer omdraaien. Misschien is dit op z'n kop zetten overbodig, maar kwaad kan het niet, lijkt mij. Bij de jam doe ik dat ook altijd, maar die weck ik niet, daar zit zo lekker ongezond veel suiker in dat dat niet hoeft.

De appelmoes die je nu hebt is tenenkrommend zuur, dus je kunt besluiten hem alsnog te zoeten voordat je hem eet, je kunt er ook gewoon aan wennen. Je kunt natuurlijk ook zoete appeltjes gebruiken, maar dan nog....

Nu schuif je meteen die appeltaart er achter aan. Ik beloof je, daar daarvan niks in de kliko verdwijnt!


Er is nog een blog over sperziebonen wecken in de oven:https://deeceeblogt.blogspot.nl/2013/08/wecken-in-de-oven.html


dinsdag 27 september 2016

Knallen






In de Smouzenglossy* van september 2016 staat een verhaal over hoe om te gaan met honden die bang zijn voor vuurwerk en onweer. Het vertelt ons weinig nieuws: negeren is de aloude boodschap, toegeven aan de angst is alleen maar een bevestiging ervan.  Vervolgens wordt er een heel arsenaal aan trainingen en medicatie besproken dat veel vergt van de hond en zijn eigenaar. Of je na deze behandeling een angstvrije hond hebt laat de auteur een beetje in het midden, omdat dat van vele factoren afhangt.

Laten we deze angst nu eens met ons gewone, gezonde verstand bekijken.

Is het ráár om bang te zijn voor knallen en onweer?  Onweer is een erkend gevaarlijk natuurverschijnsel waar ook de doorsnee mens respect voor heeft. Je moet dekking zoeken en hopen dat er geen boom op je kop valt. En van harde vuurwerkknallen schrik je doorgaans ook, zeker als het carbidkanon Dikke Bella in paraatheid wordt gebracht. De omstanders dragen gehoorbescherming en drinken glaasjes Schrobbelèr, ik bedoel maar. Dus deze angst is legitiem. En vervolgens: hoe erg is dat dan, als je hond bang voor onweer of ander geknal is?

Van ons als ‘baasjes’ of  de nieuwe term ‘begeleiders’ wordt verwacht dat wij onze hond  liefdevol en  vanuit veiligheid opvoeden en van hem een maatje voor het leven maken. We aaien en knuffelen onze viervoeters veelvuldig, we geven ze lekkere hapjes, heerlijke dekens om op te liggen en leuk speelgoed om mee te spelen en als het onweert of knalt laten we ze aan hun lot over en doen we net of ze er niet zijn. Juist op het moment dat hij de zekerheid van een troostende baas nodig heeft, laten we hem, bibberend achter de wasmachine, in de steek. Terwijl de ramen in de sponningen rammelen zetten wij de tv een stukje harder en dweilen zonder wat te zeggen de angstplasjes op.  Nou, dáár is onze trouwe viervoeter ons dankbaar voor!

Ik geef toe, ik heb het jaren gedaan, dat negeren. Of een paar pilletjes gegeven waardoor de hond nog banger leek te worden. Maar toen ik voor de zoveelste keer een trillende Suus (haar angst ontwikkelde zich in de loop der tijd) onder het logeerbed vandaan moest trekken heb ik haar gewoon op schoot genomen, geknuffeld en troostend toegesproken. En ben toen weer overgegaan tot de orde van de dag. Dat is in mijn geval veel achter de laptop zitten en dan mag Suus op mijn voeten liggen als het buiten onweert. Ook als het alleen maar dreigt. Zonder al teveel poespas geven wij onze honden net dat beetje steun wat ze bij ons als begeleider zoeken en ook van ons mogen verwachten. En nee, de angst wordt er niet minder door, maar wel draaglijker, je maakt het niet groter dan hij is maar doet ook niet net of er niks aan de hand is.

En voor  het moment suprème, oudjaarsnacht, hebben we een onorthodoxe remedie waar ze dol op zijn. Ik denk, dat ze nu bijna uitkijken naar de jaarwisseling!



*Wat is de Smouzenglossy? Het verenigingsblad van de Hollandse Smouzenclub. Alles over dit bijzondere ras vind je op www.smoushond.nl  

dinsdag 20 september 2016

Kanker is er





Op 20 september 1997 gaat om kwart voor zeven ’s ochtends de telefoon. Ik hoef hem niet eens op te nemen om te weten wat de boodschap zal zijn.
Mijn broer heeft mijn moeder in de ogen gekeken en gezien dat het vrijwel over is. En dan sta ik voor mijn kledingkast, op deze stralende septemberdag. Wat trek je aan op de dag dat je moeder sterft?

Mijn moeder stierf aan de gevolgen van borstkanker, die ze vijf jaar daarvoor, twee maanden nadat ze gecontroleerd was door de borstenbus, zelf constateerde. Een operatie, bestralingen: meer was niet nodig. En toen brak de Angst aan. Angst voor de controles, angst weer iets te voelen. Ze leefde op geleende tijd, de opluchting na een controle duurde maar kort. In januari 1997 kreeg ze last van hevige rugpijnen. En al snel was er het vonnis: uitbehandeld. Maar ja, dat levert natuurlijk niets op dus de ene na de andere chemokuur volgde. Ze verloor haar haar, haar eigen cynische, lichtboosaardige zelf en haar waardigheid en wij verloren onze moeder al veel eerder dan ze daadwerkelijk stierf.

Vijfenzestig was ze. ‘Veel te jong,’ vond iedereen om me heen. Ik was nog geen veertig en vond vijfenzestig helemaal niet jong. En dat vind ik, nu ik over ruim een jaar net zo oud ben als zij toen ze haar knobbel vond nog steeds. ‘Ze heeft zo gestreden,’ zeiden mensen troostend bij de condoleance. Ook daar kon ik niks mee. Hoezo strijd? Kanker overkomt je toch gewoon? En in veruit de meeste gevallen omdat je eigenlijk gewoon je taak als mens hebt volbracht: je bent opgegroeid, hebt min of meer iets voor de samenleving betekend en vooral: je voortgeplant. Daarvoor zijn we nu eenmaal op aarde, net als alle andere beesten om ons heen.

‘Ik hoop nog zo dat ik mijn kleinkinderen kan zien opgroeien,’ schreef mijn moeder mij in een brief voordat ze geopereerd werd. En ik dacht: ‘Je hebt je kinderen toch op zien groeien tot mooie mensen? Waar houdt het op?’

En nu moeten we lopen voor kanker, tegen een berg op fietsen voor kanker, met de hond wandelen voor kanker: ik kan er helemaal niks mee. ’Kanker de wereld uit,’ is een domme en leugenachtige kreet.  Ik zou een nieuwe actie in het leven willen roepen: Accepteer Kanker. Stop met al die zinloze, mensonterende behandelingen bij mensen voor wie het einde al lang in zicht is.
Pas dan kunnen we terminale kankerpatiënten de zorg en aandacht geven die ze verdienen, ze vertroetelen, hun haren kammen en een lekker luchtje achter hun oren wrijven. En ze dat éne lepeltje roomyoghurt met honing en walnoten voeren. En dan zonder spijt en schaamte laten gaan.



donderdag 25 augustus 2016

Levensvragen




Vanmorgen zitten we buiten te ontbijten. Hoewel de herfst zich al laat zien in het natte gras en de vallende blaadjes van de acacia, is het nog steeds zomer en dat zullen we in de loop van de dag gaan merken ook.

Onze ontbijtthee is al jaren de oude, vertrouwde Pickwick. Heeft de keuze aan middag- en avondthee inmiddels een halve plank in mijn keuken ingenomen, ’s ochtends smaakt alleen dat bungelende theezakje.
Nu hebben ze bij DE mensen in dienst genomen die de hele dag teksten voor op het labeltje aan het theezakje zitten te bedenken.  Als ik het labeltje van de dag ’s ochtends lees zie ik steevast het beeld van een paar jonge mensen die ingespannen achter hun laptopje vragen bedenken voor op het labeltje. Voor hen op tafel staan verschillende mokken gevuld met thee, natuurlijk. En elkaar dan maar inspireren! Wat voor opleiding wordt er verwacht van een labeltjestekstschrijver?   Hoeveel vragen zouden ze al bedacht hebben? Wat gaan ze doen als alle vragen op zijn?

Deze ochtend maakt de vraag op het labeltje voor het eerst iets bij me los. Ik word er een beetje kribbig van, ik ben niet zo dol op dat woord, ‘dankbaar.’  Het heeft iets passiefs, dat woord, en tegelijkertijd iets dwingends. Alsof je vaak niet zelf de hand gehad hebt in hetgeen waarvoor je dankbaar moet zijn. Ik krijg zin om er iets onaardigs over te zeggen en ik neem mijn laptop mee naar mijn plek in de boomgaard.

En dan zit ik hier in mijn mooie  huisje en kijk uit op de volgeladen appelbomen en de picknicktafel met het kleurige kleed er overheen waar we gisteren met vrienden thee en zelfgebakken cake nuttigden. Het volmaakte landlevenplaatje.  In mijn gezellige huis dartelen zeven drieënhalf weken oude pups in hun tijdelijke verblijf, met de kinderen gaat alles goed en straks ga ik nog even sperziebonen plukken. De boze buitenwereld is hier héél ver vandaan.


Opeens zitten er zes piepjonge pimpelmezen in de appelboom naast me. En ik kan het niet anders omschrijven, het gevoel dat ik nu heb. Dus Pickwick, hierbij mijn antwoord. En ook een beetje bedankt.


vrijdag 12 augustus 2016

Op zoek naar rust



In augustus kamperen we met onze bustent in Midden-Frankrijk. We staan op een kleine camping, beheerd door een  Nederlands stel. Er is plaats voor een stuk of twaalf tenten en aangezien er behalve keramiek- en yogales niets te beleven valt is het een plek die uitstekend geschikt is voor rustzoekers. Op onze plek kijken we vanaf de heuvel het dal in, bij aankomst leek het een prima plek maar later op de middag moeten we achter de auto kruipen om ons aan de brandende zon te onttrekken. 

Op de mooiste plek van de camping, een meter of dertig naast ons, staat onder een enorme eik een bleek Nederlands gezinnetje, vader, moeder, dochtertje van een jaar of 9: ze zoeken zoveel rust dat ze zelfs geen goedendag zeggen als ze ’s ochtends  met hun emmertje met plas voorbijkomen.

Als we twee dagen na aankomst  ’s ochtends wakker worden is er op de plek naast ons een gezin met een hoop jongens gearriveerd. Ze beginnen diverse tenten op te zetten en dan blijkt dat wij er met onze auto niet meer uitkunnen.  Omdat we misschien toch al een beetje breed opgesteld stonden besluiten we de hele boel een paar meter op te schuiven, dan kunnen we meteen wat meer schaduw pakken en is iedereen blij. De jongens zijn na een lange autorit toe aan wat beweging en geschreeuw, dus die beginnen gelijk te voetballen.

Ik zie onze buurvrouw (die ik voor het gemak Deegsliert genoemd heb) verderop met vertrokken mond toekijken. Ze neemt een grote omweg met haar emmertje. Ook manlief beent in de richting van het huis waar de eigenaren van de camping in hun zelf gecreëerd paradijsje wonen .
Opeens staat Deegsliert naast me. ‘Dat wil je toch niet, een stelletje pubers naast je! Wij komen hier voor onze rust!’ Ze kijkt samenzweerderig. Even bedenk ik me dat ik zal zeggen: ‘Ook goedemorgen,’ maar dan komt er heel wat anders uit: ‘Ach, die jongens moeten even uitrazen.’ Nou, daar denkt de buurvrouw héél anders over. Van zoveel jongensgeweld is ze absoluut niet gediend. De buren merken wel wat er aan de hand is en doen erg hun best heel vriendelijk over te komen, wat ze niet hoeven te doen want het zijn gewoon aardige mensen.


Nu begint het grote geschipper voor de eigenaren van de camping. Meneer komt kijken of iedereen tevreden is. Wanneer ’s middags een camper arriveert met nog meer jongens en er gezamenlijke barbecueplannen op het menu staan verzoekt mevrouw die barbecue liever op de plek waar de camper staat te houden, wat ook gebeurt.

De dag erop vliegen er ingepakte slaapzakken de tent van onze rustzoekende buren uit waarna ze hem met driftige bewegingen afbreken. Ze gaan de tent op het veldje verder naar beneden opnieuw opzetten. Daar waar de tenten met de jonge gezinnen staan. Als ik die nacht even wakker word hoor ik in de verte uit één van die tenten babygehuil komen. Even later klinkt ook uit een andere tent een oorverdovend gekrijs op, tenminste voor wie er bij in de buurt staat. Bij onze buren is alles rustig. Ik draai me lekker om en slaap snel weer in.

donderdag 30 juni 2016

Paspoort in Parijs

Broer heeft een nieuw paspoort nodig. Het oude is al vijftien jaar verlopen dus het wordt wel eens tijd. Hij heeft van internet alle voorgeschreven formulieren gedownload en ingevuld maar het paspoort zelf moet in persoon aangevraagd worden in de  ambassade in Parijs. Hij heeft een afspraak en we gaan gezellig samen met de trein. Kunnen we ook eens rustig over van alles en nog wat praten, ouderwetse broer-zus kwaliteitstijd. Na de koffie in La Noblet gaan we naar L’Aigle, waar hij in een pasfotomachine vier identieke pasfoto’s van zichzelf maakt. Hij kijkt er nogal woest op.

We arriveren in Montparnasse waar een van Broers dochters ons opwacht, zij heeft vandaag ook iets te doen in Parijs. Zij en Google maps brengen ons met gezwinde pas bij de ambassade. Tien minuten na de afgesproken tijd schuift er een mevrouw achter de balie. Uiteraard kunnende pasfoto’s niet door de beugel. Ze legt uit waar we wel goede pasfoto’s kunnen laten maken, we moeten met de metro naar de Champs Elysées en dan  zullen we in een winkelcentrum een kleine fotozaak vinden waar men pasfoto’s onder strikt Nederlandse voorwaarden maakt. ‘U bent er ongeveer een uur zoet mee, heen en terug.’ Hieruit spreekt jarenlange ervaring.

En zo reizen we af naar de Champs Elysées. Sinds mijn laatste bezoek in Parijs is er iets veranderd: langs de metro perrons zijn  glazen puien met schuifdeuren opgesteld. Voor de metro springen is nu uitgesloten. Tussen die deuren komen terwijl de metro alweer vertrekt, kan nu wel. De waarschuwende tekeningen laten niets aan de verbeelding over.




We vinden de winkel zonder problemen. Hij doet voorwereldlijk aan in deze tijd van digitale fotografie. De eigenaar ook. Hij stelt zijn machine in op Pasfoto voor Nederlands Paspoort en neemt een foto uit de losse hand. Die keuren we in consensus af. ‘Optimistisch kijken,’ roep ik want dat heb ik geleerd van een pasfotograaf. Weer hurkt de bejaarde fotograaf licht door de knieën en knipt één keer.  Deze is inderdaad een stuk beter, al twijfelt de man een beetje over een wat al te wilde haarlok. Met een schuifmaat in de ene en de pasfoto’s in de andere witgehandschoende hand meet hij de verhoudingen na. Het kan nét.




Terug in de ambassade zijn er nu ook andere Nederlanders die een paspoort willen. Een grote, naar later blijkt Kongolese vrouw heeft een kleine baby op haar buik en een tas met een stapel papieren van ruim twaalf centimeter dikte. Ze is hier om voor haar zoontje een paspoort aan te vragen. Ze heeft alle veertien gevraagde formulieren ingevuld, maar er  moeten hier en daar nog wat puntjes op de i. Het lijkt allemaal redelijk soepel te verlopen totdat blijkt dat ook de vader een paar handtekeningen moet zetten. Dit brengt onrust bij de jonge moeder. De mevrouw achter de balie voelt met haar mee, dat kun je aan alles merken. ‘We moeten zijn burgerlijke staat weten….’ begint ze. ‘Hij is op vakantie,’ zegt de jonge vrouw. Dat de baliemedewerkster dat niet bedoelt, wordt haar even later duidelijk. ‘We zijn nog niet getrouwd.’ Ze schikt haar papieren. ‘Ik ben de moeder, ik heb mijn kind gebaard, aangegeven, alles geregeld, ik weet niet wat ik nu nog meer kan doen.’ De baliemedewerkster heeft het over een geboortebewijs. Meewarig kijkt de zwarte vrouw haar aan. ‘Serieus? Hij komt uit België, uit de Kongo. Denkt u echt dat ze daar….’ Ze pakt haar papieren in. Ze hijst haar tassen over haar schouder en slaat een beschermende arm om haar slapende baby. ‘Hoe moet dat  lukken, een paspoort voor mijn zoon,’ zegt ze gelaten en verlaat het pand.

Broer is er intussen bijna. De foto’s zijn goedgekeurd, zijn vingerafdrukken genomen, wat er nog ontbreekt is een uittreksel uit het geboorteregister. Voor het aanvragen van een paspoort is het noodzakelijk te weten of Broer echt nog Nederlander en niet stiekem tot Fransman genaturaliseerd is. En wie zijn vader en moeder zijn. Als al die gegevens binnen zijn, gaat de aanvraag de procedure in. En of hij maar even 113,50 wil afrekenen.



We wandelen naar de Eiffeltoren en zijn het erover eens: het aanvragen van een paspoort kent vele haken, ogen en onbegrijpelijke eisen. En dat je wel regels moet hebben, anders wordt het een zootje. Maar had nou niet iemand gewoon stiekem een krabbeltje kunnen zetten op dat formulier van die jonge moeder? 

maandag 6 juni 2016

Op Sardinië



We vlogen naar Olbia aan de noordkant van Sardinië, het vliegtuig was flink vertraagd maar we landden nog net bij licht: we zagen rotsige kusten, eilandjes waar witte bootjes omheen cirkelden, een zee in vijftig tinten azuurblauw.

De dagen daarna toerden we langs slingerende wegen, bekeken we enkele Nuraghi, prehistorische restanten van het volk dat op het eiland leefde en waarvan niemand precies weet waar het vandaan kwam. Er waren er veel en ieder dorp dat van die overblijfselen bezit probeert er een toeristisch slaatje uit te slaan: talloze bordjes beloofden ons archeologische musea, maar als we er al in slaagden de gebouwen waar ze gehuisvest zouden moeten zijn te vinden, troffen we gesloten deuren. In  Torralba kon ik door het raam kijken en zag ik een modern vormgegeven lege balie met twee verlaten stoelen erachter, wat ongeopende post achter de ingang. In Bonorva  was een Sardijnse zo behulpzaam voor ons uit te rijden naar het Museo Archeologico. Nadat we haar hadden uitgezwaaid vonden we in het portaal alleen een doos oude beschimmelde folders, in het Duits.

 Onze reis voerde ons ook naar Cagliari, de zuidelijke havenstad, die me in allerlei opzichten deed denken aan Barcelona. Hoge gebouwen, steile, smalle straatjes en een B&B in het levendig middelpunt. Als we de auto wilden parkeren schoten behulpzame zwarte jongens op ons af, wezen ons een lege plek en haalden een parkeerkaartje, waar ze zelf dan een halve euro aan verdienden. Nadat me dat eerst ergerde begon ik deze werkwijze later wel te waarderen. Ze deden tenminste iets voor hun geld en bedelden niet. We zagen dat ook veel Sardijnen van hun diensten gebruik maakten.


’s Ochtends ontbeten we in een zaakje dat volstond met de heerlijkste taarten en gebakjes, maar in tegenstelling tot onze eerste B&B, een Agriturismo bij Arzachena, kregen we hier alleen een mand broodjes met jam in kartonnen bekertjes.  We aten de drie avonden dat we er waren heerlijk en vooral veel in drie verschillende restaurants. Hoe precies de volgorde van de antipasti’s en tweede gangen over de maaltijd verdeeld was bleek iedere keer weer een verrassing. Maar het eten was vers en  puur en het werd met trots en élégance geserveerd.

In Cagliari is wel een museum dat open is, maar uiteindelijk zijn we daar niet aan toe gekomen. Er is ook een lift naar het uitzichtpunt boven de stad, maar die was, zoals een versleten papier liet lezen, tijdelijk buiten bedrijf. En toen we er dan maar naartoe gelopen waren was het hele plein afgesloten wegens onderhoud. Dat zijn van die dingen die je overkomen als je in het voorseizoen op vakantie gaat.


Onze laatste bestemming was Alghero aan de oostkust, waar we via een schitterende weg heen reden.  Wat is er leuker dan over niet de meest voor de hand liggende wegen te rijden en koffie te drinken in het lokale café, te midden van door elkaar pratende mannetjes die samen grote flessen bier delen en op die manier honderd worden. Twee slokjes espresso en verder ging het weer.

Onze B&B aan zee lag in Fertilia, een merkwaardig communistisch aandoend voorstadje. Later las ik dat het door Mussolini gesticht is als landbouwgemeenschap, om mensen die aan de omringende droog te leggen moerassen werkten te huisvesten. Een deel van de woonkazernes staat leeg, in een straat met aan weerszijden arcades zijn diverse winkels en eetgelegenheden gevestigd maar echt gezellig ziet het er niet uit.

Vanuit onze luxe kamer met balkon en uitzicht over zee waagden we ons de eerste avond aan het in die arcade gevestigde restaurant Acquaria, op loopafstand. Het bleek er geweldig, aardige mensen en van de eigenaar mochten we niet weg voordat we een glaasje Limoncello hadden gedronken.
Alghero is een leuk, toeristisch stadje. Onderweg in een dorp, met de bedoeling iets te drinken te kopen, vonden we in een winkel de in de reisgids geroemde handwerkkunst: op een speciale manier geweven kleedjes. Voor een paar euro was zo’n kleedje van ons en ben ik er in geslaagd die er nog bij te proppen, in de handbagagekoffer.

Tja, wat verder? De Costa Smeralda, één van de meest mondaine kusten van Europa maar stijlvol en mooi bebouwd , de vele stranden, soms met hagelwit, soms met gemberkleurig zand, de vreemd verstopte Nuraghi’s, de bij tijd en wijle onaangenaam waaiende mistral, de knalblauwe luchten, de bloeiende oleanders, de bonte kraaien, flamingo’s en bijeneters, het nagenoeg ontbreken van grote roofvogels, de grote schaapskuddes die soms een heel stuk over de weg moesten, de praktische, bijna Spartaanse huizenbouw die mooi wordt door de bonte kleuren waarin de huizen gepleisterd zijn, de prachtig begroeide bergen en heuvels, de parkeerplaatsen die gebruikt worden om afval te dumpen, het heerlijke, rijpe fruit en het enorme voedselaanbod in de overdekte markt van Caglieri, de heerlijke Cannonau en natuurlijk het goddelijke ijs. Een eiland waar de moderne welvaart de kleinschaligheid niet heeft verdrongen, waar de kleine schrale akkers bewerkt worden door boeren en hulpen met kleine tractoren maar die kennelijk genoeg opleveren om niet aan schaalvergroting te hoeven denken. Waar de mensen een gelukkige, ontspannen indruk maken en waar je dus met gemak honderd kunt worden. We kunnen er ons na ons bezoek iets bij voorstellen!