zondag 17 februari 2019

Malterfoske



Zelf geworteld in het Groningse, hebben literatuur, muziek en film over deze provincie mijn warme belangstelling. Veel te jong las ik het dramatische verhaal over Rudolph de Mepsche, die in de achttiende eeuw 22 mannen liet ombrengen wegens het plegen van sodomie en dat zich afspeelde rond de plaats met de prachtige naam Enumatil.  Hierna kwam de film van Pieter Verhoeff, ‘Het teken van het beest’, over IJe Wijkstra die in het Westerkwartier vier plities ombrengt, een zaak die nog immer voor verhitte gemoederen zorgt. Weer een paar jaar later kwam de film: ‘De Poolse Bruid’. Echt zo’n typische stadse stoepschietersfilm van iemand die géén idee heeft van hoe het op het platteland toegaat en de boer in bemodderde laarzen de keuken laat binnen stampen. Laat Ede Staal dan maar zijn melancholieke liedjes zingen over het hoge land, waar niets boven gaat.

Dus toen mij werd verteld dat er weer zo’n verhaal was uitgekomen dat zich afspeelde in het noorden, was mijn nieuwsgierigheid gewekt. ‘Malterfoske’  van Lammert Voos is een mooi vormgegeven boek, slechts 62 pagina’s in een stevig lettertype en de vraag rijst hoeveel verhaal je kunt vertellen in zo’n dun boekje.

Laat ik u verzekeren: genoeg. Levendig schetst de auteur de doffe ellende van opeenvolgende generaties van het arme volk in die regio. Je ruikt de stank, voelt de vlooien kriebelen, ervaart de bittere kou en de knagende honger. Het verhaal dendert van de pagina’s. Het is een sterk, kaal, overrompelend verhaal. Het is geen verhaal om blij van te worden – en tegelijkertijd wel, want als je ’s avonds met een gevulde maag, zonder beestjes en ongeslagen in een droog, warm bed stapt, heb je al een hele hoop voor op de Malterfoskers die zich gedurende generaties staande moesten houden. 



Er zijn van die verhalen die je als lezer anders leest dan de schrijver het ‘bedoeld’ heeft. Tot mijn verbazing lees ik op de achterkant (nadat ik het boek uit heb):  ‘Malterfoske is een ontluisterend verhaal over een geslacht van sloebers in een godvergeten land (...)’ Maar wat ik lees is dat de bewoners zich uiteindelijk toch ontworsteld hebben aan het Malterfoske zijn met dat bijkans immer slechte weer, al beweert de auteur tijdens het verhaal voortdurend dat dat nooit zal gebeuren. Maar de manke sloeber is door zelfstudie toch echt wel boven zichzelf uitgestegen en heeft de toon gezet waardoor dit boek uiteindelijk het licht heeft gezien!

We bezien de laatste generatie door de ogen van opoe, die over het wad naar de schrijver aan zijn bureau zweeft. Die neemt het laatste woord: ‘in verzonnen verhalen kan altijd alles’. En zo kan het dus ook goed komen. 'Malterfoske' is een pareltje en dient gelezen te worden!

Lammert Voos, Malterfoske, AFDH Uitgevers, 62 pgns, isbn 978 90 72 603 69 2  € 19,50.

zondag 10 februari 2019

Magie




We zaten na te tafelen. We hadden een biefstukje van La Halle des Délices, omlijst met Champignons d’Orbec en een bio salade en alles was weer heerlijk. We hebben besloten dit jaar flexitariër te worden dus van de ca. drie dagen per week dat we nog vlees of vis eten moet het wel, tja, wat zijn…goed? Betrouwbaar? Met liefde voor het dier… etc. Moeilijk. Je eet een dood beest of niet. Voor het dier zelf maakt het niet uit, denk ik, ook niet als hij een wat wij noemen ‘acceptabel’ leven gehad heeft. Liever schuiven we dat toch een beetje uit ons blikveld. En koop ik kikkererwten.

We zijn hier nu een jaar en vind ik het nu dus een soort ‘gewoon’ geworden. Bij Man begint dat nu pas. Niet zo raar, want hij heeft altijd veel tijd nodig om aan veranderende situaties te wennen. Voor mij is het meer: het nieuwtje is er, hoe dan ook, af. Ik kijk naar buiten en vind het jaargetijde dat we wellicht moeten hernoemen naar Wintherfst  net zo vervelend als in NL. Het land is drijfnat, de wind giert, zelfs de sneeuwklokjes kruipen terug in hun groene schulpjes.

In de Quincaille Rit kijken ze er blij van op dat ik er weer ben. Ze willen ook allemaal weten hoe lang we deze keer blijven. Een van de dames exploiteert een chambre d’hôtes en heeft een boek voor me, een Nederlands boek, achtergelaten door Nederlandse gasten. Ik moet het maar komen halen, zij kan er niks mee. Dat zal ik doen. Ik heb genoeg te lezen, er ligt nog een stapel klaar. Door CJ is me op het hart gedrukt ‘Malterfoske’ van Lammert Voos te lezen en dat komt per post naar me toe, mag ik hopen, want het vinden van onze brievenbus is ook na een jaar nog een hele opgave voor de verschillende bezorgdiensten. 

Maar ik had het erover dat het al een beetje gewoon wordt hier te zijn. Kort voordat we vorig jaar vertrokken vroeg een vriendin me: ‘Denk je niet dat de magie er een beetje af gaat als je er altijd bent?’ Die vraag begreep ik en dat hield me ook bezig. En ik denk ook dat het wel zo is, want dat geldt voor alles. Meestal.
Maar toch. Een dag als gisteren, wanneer eindelijk de zon weer schijnt, de waterkou er een beetje af is en ik door de weiden wandel, de honden voor me uit rennend. Al die ruimte, schone lucht en stilte om me heen voel, dan is het er weer. Het typische Lanobletgevoel. Alsof je een beetje opstijgt. 



dinsdag 5 juni 2018

De nachtburgemeester






Op de eerste kampeervakantie van jongste dochter besloten we het niet te gek te maken en was onze eerste stop de camping in Etréaupont, net randje Franse Ardennen. Als kind was ik daar een paar keer geweest en bewaarde er goede herinneringen aan.

We waren er al vroeg in de middag en troffen onder een populier een groot bed aan, gemaakt van pallets, takken, stro en bloemen. In de hoek van de camping, rechts van ons, stonden wat slordig opgebouwde tenten bij elkaar, er was een vuurplaats en een over de tenten heen gespannen wit geweest laken diende als zonwering. Het tafereel zag eruit of het er al een tijdje stond. Tussen twee bomen zat een touw en aan dat touw bewoog aan een scheerlijn een klein meisje heen en weer. Ze leek zich totaal niet in haar bewegingsvrijheid beperkt te voelen en wij vonden het een uitstekende oplossing, ook voor onze eigen ondernemende dreumes die al vijf minuten na aankomst bovenop een glijbaan klom die niet voor dreumesen bedoeld was. De moeder van Wiesje, zoals het meisje bleek te heten, zat tussen de tenten in een boek te lezen. Verder was er niemand.

De grote trekpleister van de camping is de ligging aan de rivier de l’Oise, op die plaats nog een beek. We liepen er heen met de kinderen en troffen daar nog meer mensen aan: in het diepere deel van het water stonden twee mannen aan een soort bar, met daarop allerlei flessen. Er bleken ook gekoelde dranken te zijn.  ‘Roséetje?’ vroeg René. Dat drankje had ik al jaren niet meer gedronken, rosé was passé. ‘Proef maar,’ zei hij behulpzaam. ‘Het smaakt anders dan je denkt.’ En dat was ook zo.

Deze kennismaking leidde al snel tot een paar dagen met uitbundige feestmaaltijden en de komst van pa en ma, wier 50-jarig huwelijk gevierd werd met het inwijden van het bruidsbed. Ook de rest van de familie, een zus, een broer en zijn vriendin en wat vrienden waren gearriveerd en er zou een barbecue plaatsvinden. Het was warm, René droeg behalve een korte lange joggingbroek waar zijn bruine glimmende buik overheen puilde niets anders dan een machete, om geschikte twijgen voor het maken van brochettes  voor de kinderen af te hakken. Niet alle campinggasten wisten van dit vredelievende voornemen en doken ver achterin hun tent of caravan toen hij vastberaden voorbij kwam stappen.

Wat ik me vooral herinner zijn ongelofelijke lachaanvallen, van die buien waar je bijna niet meer van bijkomt. Manlief herinnert zich vooral met name één enorme kater, waardoor hij zich pas tegen twee uur ’s middags weer in de beek meldde. Toen was juist de waterschoen van Oudste dochter weg gedreven en Man sprak de legendarische woorden: ‘Welke kant uit?’ Overigens vond hij hem wel na diverse manhaftige (denk aan zijn toestand) duiken onder water. Ook stal hij als hydrobioloog de show met het laten zien wat er allemaal voor leven in zo’n beek zit, prachtige libellelarven, vlokreeften en modderkruipers.

Na enkele dagen besloten wij dat het voor onze gezondheid beter was als we doorreisden. Maar ook jaren daarna kwamen we nog regelmatig rond diezelfde periode langs op de camping en was het direct weer feest. Er zijn nog zoveel mooie en vooral komische herinneringen aan onze contacten met de familie Vallentgoed. Mensen die groots en meeslepend leven en waar wij ons als gewone stervelingen even tegenaan schurken, maar dan toch maar gauw weer de veiligheid van het voorspelbare bestaan opzoeken. Manlief is René, ik begreep officieus nachtburgemeester van Leiden, een paar jaar geleden nog eens tegengekomen in die stad. René vertelde toen dat Wiesje biologie is gaan studeren, dankzij diens lessen.

Van de week begonnen we aan de terugweg vanuit Zuid-Frankrijk en ik dacht eraan dat het misschien leuk was nog eens op die camping te overnachten. Ik zocht op FB naar René Vallentgoed en las dat hij op 17 mei is overleden, 63 jaar oud, aan uitgezaaide longkanker. Al die Gitanes hebben dan uiteindelijk hun tol geëisd. Bourgondisch, een enorme lach, een geweldig eigenzinnige humor, hij blijft in ons hart als een man die alles uit het leven haalde en waar we voor altijd warme herinneringen aan bewaren.

René, ik hef het glas – en ik hoef jou niet te vertellen wat erin zit.


maandag 26 februari 2018

Een jaar in Normandië

 In verband met onze (s)emigratie naar Normandië heb ik een nieuw blog geopend:

https://eenjaarinnormandie.blogspot.com

Daar lees je alles over onze avonturen. Dit blog staat op een laag pitje.

zaterdag 9 december 2017

Wat er gebeurt




Hij is er: 

Een verhalenbundel met als thema's verdriet, veerkracht en venijn

Fragment: Wat er gebeurt



...als je de top bereikt.

Ze zijn op 1600 meter vertrokken om naar de top van de Canigou, de heilige berg van de Catalanen van 2784 meter hoog, te klimmen. Emma is haar moeder al snel voor. Ingrid moet echt zo nu en dan even stilstaan, ze is tijdens de slingerende tocht met de 4-wheeldrive onverwacht wagenziek geworden en moet diep ademhalen om haar maag weer tot rust te brengen. Ze zijn niet de enigen die vanmorgen deze klim maken: langs de westkant van de berg, die nu in de schaduw ligt, ziet ze gestaag naar boven klimmende kleine figuurtjes langs de steile flanken slingeren. Emma is haar al veel te ver voor. Als een gems danst ze over het pad, behendig en onverschrokken. Ingrid ziet haar soms op handen en voeten en roept haar naam. Natuurlijk hoort ze haar niet.
Ze probeert er vaart achter te zetten. Langzaam komt ze in een goede loopcadans en kan ze regelmatiger ademhalen. Haar maag doet niet meer vervelend. Ze wordt niet meer steeds ingehaald. Het gaat goed. 

De berg wordt hogerop steeds kaler met angstwekkend steile puinhellingen, waar het pad in uitgesleten is. Ingrid begint weer sneller te lopen. Eén misstap kan fataal zijn. Ze kan het voor zich zien, hoe haar meisje als een beschadigde vlinder onderaan de helling ligt, haar lange blonde haar in een waaier om haar hoofd. Omdat ze nu aan de achterkant van de berg is ziet ze haar helemaal niet meer. Maar opeens is ze er weer, haar rode korte broekje als een dansende stip tegen de donkere berg. Er loopt iemand bij haar, het lijkt erop of ze samen praten. Ze staan even stil, ze wijst. Ingrid zwaait. Ze zwaait terug. De vrouw bij haar zwaait ook, op een manier die haar geruststelt. Haar tocht duurt nog bijna een uur maar na nog een paar korte, loodzware klimmetjes arriveert ze op de top. Er zijn daar een heleboel mensen, dat valt haar tegen. Het waait er heel hard, de zon brandt. Ze ziet Emma met de vrouw op een rotsblok zitten. Ze moet zich bijna door de menigte heen worstelen om bij hen te komen.

‘Dag mam, ben je daar eindelijk,’ Emma lacht. De vrouw naast haar draait zich ook naar Ingrid om. Verbijsterd kijken ze elkaar enkele seconden aan.
‘Josien?’
‘Ingrid’. Ze heeft haar naam onthouden. Bliksemsnel heeft haar verbaasde blik plaatsgemaakt voor een andere. Ze kijkt Ingrid vriendelijk glimlachend aan. Maar Ingrid voelt de blos die over haar gezicht schiet en ze kijkt weg, alweer.
‘Kennen jullie elkaar?’ Emma kijkt de vrouwen beurtelings aan.
‘Van vroeger,’ zegt Josien. ‘Van heel lang geleden.’ Ze lacht naar Emma. Ze maakt een volkomen ontspannen indruk. Ze zal het toch niet vergeten zijn?
‘Waren jullie vriendinnen!’ Emma lacht.
‘Eh…we zaten bij elkaar in de klas,’ zegt Ingrid.

In ieders leven komt het voor dat je onverwacht iemand uit je verleden ontmoet, op een brug in een Oostenrijks stadje, in de trein onderweg naar Berlijn. Bijna altijd is het een ontmoeting waar je later met plezier aan terugdenkt. Hoe verrassend was het je oude leraar Geschiedenis op de veerpont naar Terschelling of het meisje waar je ooit mee gekust hebt op de markt in Syracuse nog eens weer te zien! Wat kun je daar gelukkig van worden, even terug in je verleden te zijn, de lucht van warme perziken te ruiken, de warmte van die dag als een deken om je heen te voelen.

Zo’n aangename verrassing was dit niet.


Meer lezen? 'Wat er gebeurt' is nu verkrijgbaar bij boekhandel en bol.com en  je kunt 'm ook bij mij bestellen voor een gesigneerd exemplaar via  (€ 20 euro incl. verzending)

woensdag 25 oktober 2017

Budapest


We vliegen naar Budapest voor een citytrip van een paar dagen. Als we dalen zie ik onder ons het tracé van een vierbaans snelweg in aanleg, met klaverbladen, keurig uitgevoerd in geel zand. Het eindigt aan de rand van een groot vierkant stuk bos, aan de andere kant gaat het verder. Er staan geen machines, het werk aan de weg is stil gelegd.
Het is al donker als we in het hotel aankomen, het is moeilijk te zien waar we ons precies bevinden omdat alle woorden van deze taal ons vreemd zijn. We lopen een hele tijd om iets te eten te vinden en dat wordt uiteindelijk een heerlijk broodje kebab. Het kost weinig.  


De volgende dag gaan we op pad om een hop-on-hop-off bus te regelen. Dat lukt al gauw, de extraverte zwarte kaartjesverkoper wil graag met ons mee naar het land waar iedereen getolereerd wordt, Nederland. Er blijken meerdere spelers op de hop-on-hop-off markt, ze noemen zich allemaal ‘official’ en we mogen ook overal instappen maar ze volgen niet allemaal dezelfde routes.


De bussen voeren ons langs alle highlights van Buda en Pest. Het turbulente verleden van dit land en deze stad komen behoedzaam aan de orde. Om het iedereen naar de zin te maken wordt het allemaal niet te moeilijk en te diepgaand. Op de boottocht over de Donau verhaalt de Engelssprekende stem uit de luidspreker dat aan het eind van WOII alle zeven bruggen verwoest zijn door de Duitsers en noemt ook het aantal slachtoffers dat daarbij gevallen is, de Duitse vertaling die volgt rept daar met geen woord over.














Er zijn veel monumenten en in de rotte kiezen die na WO II en de Russische overheersing ontstonden zijn soms mooie maar vaak ook wanstaltige gebouwen neergezet. Voor de bouw van het megalomane parlementsgebouw kon men niet kon kiezen uit de voorgestelde ontwerpen en daarom werden ze alle vier maar uitgevoerd.  Samen vormen ze een suikertaart die schittert tegen de blauwe hemel.Langs de brede boulevards, die je natuurlijk vergelijkt met die in Parijs en Wenen, staan nog steeds prachtige panden. Tijdens de Belle Epoque waren het woonhuizen, nu ambassades en kantoren. Aan de Andrassy Utca zijn de grote Europese modehuizen gevestigd. De keren dat wij er langs lopen zien we geen klanten.


We lunchen in de enorme shopping mall ‘West End’, die tegen een van de drie stations aan gebouwd is. Zoals in elke grote stad heeft ook dit station een aantrekkingskracht op de mensen die halverwege het afvoerputje van de samenleving vechten om boven te blijven. Overigens zien we er daar ook op andere plaatsen in de stad veel van. Ze vormen een schril contrast met de luxueuze winkelstraten, de Russische dames de met een gouden telefoon aan hun oor, een DGtas over hun schouder en schoenen die het onregelmatige plaveisel maar nauwelijks aankunnen de ene winkel in, de andere weer uit trippelen.




Zeker, toeristen uit de hele wereld hebben hun weg naar Budapest gevonden. Het bedienend personeel is uitermate voorkomend, het eten en drinken zijn er uitstekend, toeristen worden in de watten gelegd. Natuurlijk is er niets mis mee daarvan te genieten. Maar als ik ergens toerist ben op een plek waarvan ik de indruk krijg dat de locals er zelf niet echt gelukkig zijn, dan voel ik me een beetje opgelaten. Misplaatst. De Hongaren die wij spraken, maken een ongelukkige indruk. Ze zijn niet blij met de kant die de stad en hun land op gaan. Ze zijn ook niet blij met hoe het geweest is. Ze weten niet waar ze wel blij mee moeten zijn. Een land dat zo lang overlopen is door verschillende culturen en politieke invloeden heeft ook nog een lange weg te gaan. Ik hoop dat ze 'm vinden. Of afmaken.








In november verschijnt: 'Wat er gebeurt.' Verhalen.


'Wat er gebeurt..' is een bundel van verhalen over verschillende vrouwen die zeer uiteenlopende dingen meemaken rond de thema's verlies, venijn en veerkracht.


Nu al intekenen voor een gesigneerd & mooi ingepakt exemplaar?  Bestel 'm voor € 19,95 incl. verzendkosten   ISBN: 9789402168969



zaterdag 30 september 2017

Vakantie in september







De enorme hond van de man uit de Creuse blaft als zijn baas verder dan twee meter uit de buurt is. En dat is hij nogal eens, want de man maakt graag een praatje en hoort bij de inventaris van de camping. Hij kan dus ook gasten ontvangen en ze wijzen op de bel waarop ze moeten drukken als de acceuil onbemand is. Dan komt de immer in het zwart geklede, kettingrokende Jeremy op zijn fiets aangesneld. Intussen blaft de hond met regelmatige tussenpozen, terwijl de man uit de Creuse hem zonder enig merkbaar effect toebrult stil te zijn en niet zo’n comédie te maken. Het lijkt erop dat de hond ‘Panache’ heet, maar het kan ook zijn dat de man iets roept dat ik verkeerd versta. Soms eindigt een woef in een langdurig melodieus gejank, dat langzaam verdwijnt tussen de bergen. Zo nu en dan neemt de man zijn gitaar ter hand en barst los in Spaans gezang, hetgeen een hoop verklaart. De man en zijn vreemd genoeg kleurloze vrouw komen hier al jaren. Ze hebben een camper maar die verlaat de camping pas op het moment als ze daadwerkelijk gaan vertrekken. Tot die tijd lopen ze naar het dorp, de enorme Panache tussen hen in. Er is nog een ander bevriend stel dat in de caravan naast hen verblijft en wel over een auto beschikt. Soms gaan de dames samen boodschappen doen. Op zondagmiddag eten en drinken ze gezamenlijk, de hele middag lang zoals alleen Fransen dat kunnen.


Tegenover ons staat een aantal caravans waar een houten huisje omheen gebouwd is waardoor de leefruimte verdubbelt. In één ervan woont een jonge man met het syndroom van Down. Hij heeft de hele dag de TV aan. Soms komt er familie op bezoek, die blijft dan ook een nacht logeren. Hij heeft Dirk verteld dat hij tot het sluiten van de camping hier blijft en dan naar Spanje gaat. Als Dirk een keer net voor hem de enige zitwc op de camping bezet blijft de jongeman licht mopperend vlak voor de deur staan wachten tot hij klaar is.  

In één van de andere caravans woonde een tijdje een atletisch gebouwde man met een witte ruwharige hond met één bruin oor en enge rode ogen. Het was wel een aardige hond verder. De man vervoerde hem in een karretje achter zijn fiets. We zagen hem in het dorp koffiedrinken of boodschappen doen bij de SuperU. Op een dag arriveerde er een man in een auto met een aanhangwagen met een motorfiets erop. Hij liep met een blauwe plastic fles naar de plek waar de man met de witte hond woonde. Daar zaten ze tot de schemering, de hond liep vergeten alleen over de camping en kwam met onze honden spelen. Aan het begin van de avond keerde de man met de blauwe fles terug. De volgende ochtend hoorde ik al vroeg de man met de hondenkar weg fietsen. Hij is niet meer terug gekomen.


Naast ons parkeerde een pick-up truck met een enorme kajak omgekeerd op het dak. Er sprongen drie jonge hippies met dreadlocks uit. Ze hadden veel bonte kleren aan. Ze brachten de nacht door in hangmatten. Jeremy vertelde me later dat zijn kantoortje zich vulde met hun lijflucht toen ze zich in kwamen schrijven. Hij trok zijn neus op en schudde zijn hoofd. ‘Van die gasten die drie dagen in de natuur verblijven en dan een nachtje op een camping komen staan om te douchen.’ Ik had geen idee waarom, maar hij keurde deze handelwijze overduidelijk af.


Jeremy en zijn vrouw onderhouden een enorme moestuin, met serres waarin de heerlijkste tomaten groeien. In zijn kleine winkeltje naast het kantoortje verkoopt hij deze, samen met zoete uien, pruimachtige perziken, courgettes, knapperige paprika’s in alle kleuren. Hij heeft een uitgesproken mening over de reguliere landbouw. Hij vertelt me dat zijn paprika’s er bijna vier maanden over doen om tot wasdom te komen. Dat verklaart hun volle smaak. Ook de tomaten kweekt hij langzaam. Als je sla bestelt snijdt hij een krop af en komt hem je brengen. In deze hele omgeving is bio het toverwoord, op de markt is het merendeel van de producten biologisch geteeld of vervaardigd. En worden ze verkocht voor een prijs die de producent zelf bepaalt. Korte lijnen. Zoals het altijd zou moeten, maar zoals het al lang helemaal niet meer gaat.

Op zondagochtend wordt er op everzwijnen gejaagd in de bergen om ons heen, met honden en hoornblazers. De honden gillen van opwinding en ook Panache doet mee. Jeremy maakt zich zorgen of er niet een aan de jacht ontkomen wild zwijn over de camping zal rennen. Deze keer gebeurt dat niet maar er is er een paar nachten geleden wel één op de camping geweest, ik heb hem zelf horen snuiven in de diepte van de bijna droogstaande beek voor onze tent. We zorgen er dus maar voor dat er geen voedsel rond de tent te vinden is.  Onze nieuwe buren maken zich op voor de lange zondaglunch, ze hebben visite. Wij eten straks een stokbroodje camembert. En een gebakken ei. Met de chipolata’s van gisteren er in kleine stukjes in meegebakken. Met een paar van die goddelijke tomaten.

In het dorp kun je heerlijk eten en de fraaie omgeving ontvouwt zich voor ons. We bezoeken een stadje dat ontsnapt is aan de kwalificatie  ‘Plus beaux villages de France’ en daardoor prachtig en verrassend authentiek gebleven is. We kopen heerlijke wijn bij de Eco Cave. Op de camping mogen onze honden loslopen. Er is maar sporadisch 3G en open Wifi en er zijn nog hurktoiletten.  De ANWB kent de camping niet en dat is misschien ook maar beter, want er zijn zo van die plekken die je niet met iedereen wilt delen.
In de zomer schijnt het hier evengoed vol te staan.


Kamperen in de herfst heeft, als je eenmaal gewend bent aan de koude nachten, de koele ochtenden en korte avonden, ook wel wat. Zeker als overdag de zon uitbundig schijnt en dat doet hij, al die tijd dat we hier zijn op één dag na.