vrijdag 15 maart 2019

Verwend




In Nederland rammel je je bestelling in je laptop of telefoon, besteld voor 21.00 uur, morgen geleverd. Soms moet je even achter de bezorger aanrennen omdat je niet echt op de mat op je 15 kg hondenvoer lag wachten en tijd geld is voor deze gasten. Zo kan het zijn dat je een niet-thuis briefje in de bus vindt terwijl je nét even zat te plassen, maar dan kun je het pakket doorgaans bij Buurvrouw ophalen. Allemaal best wel goed geregeld eigenlijk. En steeds beter als je het vergelijkt met hoe dat hier op het Franse platteland toegaat.

Er zijn webwinkels genoeg, het hele bestelproces is doorgans best eenvoudig te doorlopen, ze accepteren alle kaarten en paypal: maar dan. Je moet natuurlijk je adres invullen. En daar begint het probleem: wij weten niet wat ons adres is. Vorig jaar hebben we een straatnaam en een huisnummer gekregen. 350. Nadere uitleg was nodig om te begrijpen dat dit nummer ons was toegekend, niet omdat ze nog 349 andere huisnummers verwachtten uit te geven, maar omdat onze brievenbus 350 m van de openbare weg af staat. Plausibel. Maar nu. Die bedrijven kennen ons nieuwe adres niet. En soms moet je een telefoonnummer invullen en dan zijn er te weinig vakjes om je hele nummer inclusief landennummer in te voegen. Ik dacht dat eenvoudig op te lossen door de aanschaf van een extra simkaart, mijn Samsung is daarvoor toegerust. Maar daarvoor moest je een telefoonnummer invullen en ik was net moed aan het verzamelen om dan maar een middagje voor de Orangewinkel in Bernay te reserveren, toen ik op een forum las over een andere provider waarbij je een simkaart met een een nieuw nummer kunt opvragen en daar ben ik geslaagd: dat wil zeggen, in het bestellen van die kaart, want dat zal nu alweer een dag of tien geleden zijn en ik heb nog geen simkaart in onze brievenbus aangetroffen.

Stofzuigerzakken had ik besteld en een filter voor in de stofzuiger. Die bleek op waterzuigstand te staan. Vandaar dat hij bij elke zuigbeurt het fijnstof weer met geweld naar buiten blies. Ik hoest al weken. Donderdag besteld, maandagochtend kreeg ik bericht dat ik het pakketje kon ophalen in Broglie. Dat had ik nl zo geregeld: behalve dat het 5,80 verzendkosten scheelt om iets op pick up point te laten bezorgen, is dat kans dat je je bestelde goederen ook daadwerkelijk ontvangt groter.

In januari had ik bijvoorbeeld iets besteld dat via de DPD geleverd zou worden: ik kreeg bericht dat het pakket thuis bij me afgeleverd was. Ik wist daar niks van. Keek nog eens extra in de brievenbus, ook geen briefje ‘wij troffen u niet thuis.’ Via de DPD site kwam ik erachter dat mijn bestelling in Montreuil l’Argillé was, aan de rue Grande nr 30. Ik reed naar Montreuil, op dat adres zat een pizzeria maar die bleek gesloten. Er brandde licht dus ik ging toch naar binnen. Een moeder zat met haar kind huiswerk te maken. Ze was geen depot van de DPD. Misschien het Café Tabac, vijf huizen verderop? En inderdaad, daar was een afhaalpunt (daar was overigens verder niets van te zien) en op mijn vraag waarom ik geen bericht had gekregen dat mijn pakje hier was kreeg ik een kribbig antwoord dat ik niet verstond. Misschien maar beter.

Maar goed, die stofzuigerzakken. Via de dinsdagmarkt in L’Aigle reden we terug over Broglie om ze op te halen, een omweg van zo’n 20 km maar dat moet dan maar.  De zaak zou om 12.30 uur sluiten. Wij waren er om 12.15 en waar ik al bang voor was: de deur was op slot. Er lag wel een hele grote plastic zak vol pakketten achter de deur. Maar wij gingen eerst maar eens naar huis.
De volgende dag verzon ik iets om te kopen in de Brico bij Bernay en dan kon ik onderweg mooi die zakken oppikken. Ik was nu keurig rond half elf bij de winkel. De uitbaatster, als een soort mummy gewikkeld in talloze sjaals, wuifde met in één hand haar afleesapparaat dat ik maar eens tussen de pakjes die her en der in haar winkel opgestapeld stonden moest gaan zoeken.  Het mijne was er niet bij. Mijn naam stond wel in het apparaat.
‘O, dan komt het morgen,’ zei mevrouw.
‘Maar ik kreeg maandag al bericht dat ik het op kon halen..’ Meewarig keek ze me aan. ‘Die berichten sturen ze altijd dágen voordat ze komen leveren,’ zei ze. Dat dan wel op zo’n manier dat je terwijl je onverrichter zake terugloopt naar de auto denkt, ach ja, waar maakt een mens zich druk om.

Vandaag wilde ik een pakketzegel afdrukken om een ‘Natuurlijk Normandië’ te versturen, La Poste  heeft een gelikte website. Hierbij moest ik natuurlijk éérst m’n eigen adres invullen en toen dat van de geadresseerde. Je begrijpt het al, daar ben ik niet in geslaagd. Uiteindelijk wel in het invoeren van m’n eigen adres, want dat bleek dankzij de behulpzame Isabelle van de chat alleen mogelijk als ik een account aanmaakte. Ik heb het erg simpel gehouden, die straatnaam en die 350 nog maar niet vermeld. Maar het adres waar het naartoe moet: steeds maar rode balkjes. Morgen ga ik naar het postkantoor om dit te regelen. En wie weet rij ik dan ook wel even door naar Broglie, voor die stofzuigerzakken. En dat filter. En dan wip ik op de terugweg ook nog even aan bij B(r)oer om de post op te halen die bij hem bezorgd is, kennelijk omdat onze vaste factrice misschien een griepje heeft én je van zo’n invaller niet kunt verwachten dat zij de bordjes, die aan weerszijden van ons weggetje staan te wegwijzen, kan lezen. En verder hoop ik er maar het beste van. Pas als het écht niet anders kan, bestel ik via Internet. Dat is voor de winkels ook wel net zo leuk.


maandag 25 februari 2019

Het weer geeft ons violen




Onze eerste Vide grenier van het seizoen brengt ons helemaal naar Bellou-en-Houlme. Ruim een uur rijden, maar goed, we zijn al weken nergens heen geweest dus dan mag het een keer. Onderweg kopen we verse pains-au-chocolat in een bakkerij waar de bakker live broden in en uit de oven schuift, een prachtig gezicht. Alleen jammer dat het bedienend personeel mij beschuldigend aankijkt omdat ik de laatste twee chocoladebroodjes koop. Ik zit er natuurlijk normaal niet voor in de planning. Terwijl ze mijn twee euro in ontvangst neemt schreeuwt ze naar de bakker of er nog meer in de oven staan want dat ze nu OP zijn. Verbouwereerd verlaat ik de winkel.

Het café tabac is op deze vroege zondagochtend nog gesloten, dus we zullen elders onderweg koffie moeten scoren. Uiteindelijk lukt dat in Argentan. Hier waren we vorig jaar omstreeks dezelfde tijd toen D. naar de noodtandarts moest. Ook toen was het een zonnige, frisse ochtend en ook toen begon het grootste deel van de clientèle de dag met waarmee ze de vorige avond geëindigd waren. Het bier vloeit rijkelijk, onze café au lait klotst over de rand als de trillende handen van de barkeeper de kopjes voor ons neerzetten. Als de koffie op is, lopen we over de markt terug naar de auto. Er is een bloemenverkoper met winterviolen en natuurlijk kan ik daar niet aan voorbijlopen.  De man blijkt een poëet. ‘Ce temps nous donne des bonnes pensées’, rammelt hij eruit nadat hij een paar wat pierige plantjes in mijn tray heeft omgeruild voor betere. Nog mooier vind ik het omdat we het zomaar kunnen begrijpen! De woordspeling: violen zijn pensées, maar het woord betekent ook: gedachten. Dus: Dit weer geeft ons mooie violen/gedachten. Prachtig, toch?

En zo arriveren we op de zonovergoten foire in Bellou . We zijn er nog geen drie minuten of we stuiten op een onvoorstelbare vondst: een kist vol bontgekleurde gamelles. Al vaker schreef ik over mijn gamelle-verzameling en ook dat ik er nu klaar mee was. Twaalf stuks kon ik net op de Normandische kast plaatsen. Maar goed, daar waren er vorig jaar toch zomaar alweer drie bij gekomen, dus er nu stoer aan voorbijlopen is natuurlijk niet aan de orde. De kleine, pittige eigenares van al dit moois legt me uit dat ze ze verzameld heeft, die gamelles, maar nu wordt het tijd om de boel op te ruimen. Ik vertel haar dat ik eigenlijk gestopt was met het verzamelen ervan. Maar ik zie een oranje met bruin, en die heb ik nog niet. En ook een zachtgroene met hele fijne roodbruine spikkeltjes. Zo mooi. Ik koop de oranje. En als ze wegloopt om geld te wisselen, heb ik ook opeens die groene in mijn handen.






Vanmorgen heb ik de kast afgestoft, geherindeeld, en nu staan ze er allemaal, mijn 17 gamelles. Ga ik nu stoppen bij 20? En dan toch weer door de knieën als er zich een kleurtje aandient dat ik nog niet heb…? Dan gebeurt het. Het weer geeft me een mooie gedachte: ik verzamel geen gamelles, de gamelles verzamelen mij. Zolang ze zich nog ergens bevinden, op al die markten die nog komen, zullen ze op me wachten. Ik zal er voor ze zijn.








Een paar LP’s voor onze pick-up, een bankschroef, een soldeerbout, een taartschep, een ondefinieerbaar keukengereedschapje en  twee frites maison + knacks op het terras in de zon later: onze dag kan niet meer stuk!

zondag 17 februari 2019

Malterfoske



Zelf geworteld in het Groningse, hebben literatuur, muziek en film over deze provincie mijn warme belangstelling. Veel te jong las ik het dramatische verhaal over Rudolph de Mepsche, die in de achttiende eeuw 22 mannen liet ombrengen wegens het plegen van sodomie en dat zich afspeelde rond de plaats met de prachtige naam Enumatil.  Hierna kwam de film van Pieter Verhoeff, ‘Het teken van het beest’, over IJe Wijkstra die in het Westerkwartier vier plities ombrengt, een zaak die nog immer voor verhitte gemoederen zorgt. Weer een paar jaar later kwam de film: ‘De Poolse Bruid’. Echt zo’n typische stadse stoepschietersfilm van iemand die géén idee heeft van hoe het op het platteland toegaat en de boer in bemodderde laarzen de keuken laat binnen stampen. Laat Ede Staal dan maar zijn melancholieke liedjes zingen over het hoge land, waar niets boven gaat.

Dus toen mij werd verteld dat er weer zo’n verhaal was uitgekomen dat zich afspeelde in het noorden, was mijn nieuwsgierigheid gewekt. ‘Malterfoske’  van Lammert Voos is een mooi vormgegeven boek, slechts 62 pagina’s in een stevig lettertype en de vraag rijst hoeveel verhaal je kunt vertellen in zo’n dun boekje.

Laat ik u verzekeren: genoeg. Levendig schetst de auteur de doffe ellende van opeenvolgende generaties van het arme volk in die regio. Je ruikt de stank, voelt de vlooien kriebelen, ervaart de bittere kou en de knagende honger. Het verhaal dendert van de pagina’s. Het is een sterk, kaal, overrompelend verhaal. Het is geen verhaal om blij van te worden – en tegelijkertijd wel, want als je ’s avonds met een gevulde maag, zonder beestjes en ongeslagen in een droog, warm bed stapt, heb je al een hele hoop voor op de Malterfoskers die zich gedurende generaties staande moesten houden. 



Er zijn van die verhalen die je als lezer anders leest dan de schrijver het ‘bedoeld’ heeft. Tot mijn verbazing lees ik op de achterkant (nadat ik het boek uit heb):  ‘Malterfoske is een ontluisterend verhaal over een geslacht van sloebers in een godvergeten land (...)’ Maar wat ik lees is dat de bewoners zich uiteindelijk toch ontworsteld hebben aan het Malterfoske zijn met dat bijkans immer slechte weer, al beweert de auteur tijdens het verhaal voortdurend dat dat nooit zal gebeuren. Maar de manke sloeber is door zelfstudie toch echt wel boven zichzelf uitgestegen en heeft de toon gezet waardoor dit boek uiteindelijk het licht heeft gezien!

We bezien de laatste generatie door de ogen van opoe, die over het wad naar de schrijver aan zijn bureau zweeft. Die neemt het laatste woord: ‘in verzonnen verhalen kan altijd alles’. En zo kan het dus ook goed komen. 'Malterfoske' is een pareltje en dient gelezen te worden!

Lammert Voos, Malterfoske, AFDH Uitgevers, 62 pgns, isbn 978 90 72 603 69 2  € 19,50.

zondag 10 februari 2019

Magie




We zaten na te tafelen. We hadden een biefstukje van La Halle des Délices, omlijst met Champignons d’Orbec en een bio salade en alles was weer heerlijk. We hebben besloten dit jaar flexitariër te worden dus van de ca. drie dagen per week dat we nog vlees of vis eten moet het wel, tja, wat zijn…goed? Betrouwbaar? Met liefde voor het dier… etc. Moeilijk. Je eet een dood beest of niet. Voor het dier zelf maakt het niet uit, denk ik, ook niet als hij een wat wij noemen ‘acceptabel’ leven gehad heeft. Liever schuiven we dat toch een beetje uit ons blikveld. En koop ik kikkererwten.

We zijn hier nu een jaar en vind ik het nu dus een soort ‘gewoon’ geworden. Bij Man begint dat nu pas. Niet zo raar, want hij heeft altijd veel tijd nodig om aan veranderende situaties te wennen. Voor mij is het meer: het nieuwtje is er, hoe dan ook, af. Ik kijk naar buiten en vind het jaargetijde dat we wellicht moeten hernoemen naar Wintherfst  net zo vervelend als in NL. Het land is drijfnat, de wind giert, zelfs de sneeuwklokjes kruipen terug in hun groene schulpjes.

In de Quincaille Rit kijken ze er blij van op dat ik er weer ben. Ze willen ook allemaal weten hoe lang we deze keer blijven. Een van de dames exploiteert een chambre d’hôtes en heeft een boek voor me, een Nederlands boek, achtergelaten door Nederlandse gasten. Ik moet het maar komen halen, zij kan er niks mee. Dat zal ik doen. Ik heb genoeg te lezen, er ligt nog een stapel klaar. Door CJ is me op het hart gedrukt ‘Malterfoske’ van Lammert Voos te lezen en dat komt per post naar me toe, mag ik hopen, want het vinden van onze brievenbus is ook na een jaar nog een hele opgave voor de verschillende bezorgdiensten. 

Maar ik had het erover dat het al een beetje gewoon wordt hier te zijn. Kort voordat we vorig jaar vertrokken vroeg een vriendin me: ‘Denk je niet dat de magie er een beetje af gaat als je er altijd bent?’ Die vraag begreep ik en dat hield me ook bezig. En ik denk ook dat het wel zo is, want dat geldt voor alles. Meestal.
Maar toch. Een dag als gisteren, wanneer eindelijk de zon weer schijnt, de waterkou er een beetje af is en ik door de weiden wandel, de honden voor me uit rennend. Al die ruimte, schone lucht en stilte om me heen voel, dan is het er weer. Het typische Lanobletgevoel. Alsof je een beetje opstijgt. 



dinsdag 5 juni 2018

De nachtburgemeester






Op de eerste kampeervakantie van jongste dochter besloten we het niet te gek te maken en was onze eerste stop de camping in Etréaupont, net randje Franse Ardennen. Als kind was ik daar een paar keer geweest en bewaarde er goede herinneringen aan.

We waren er al vroeg in de middag en troffen onder een populier een groot bed aan, gemaakt van pallets, takken, stro en bloemen. In de hoek van de camping, rechts van ons, stonden wat slordig opgebouwde tenten bij elkaar, er was een vuurplaats en een over de tenten heen gespannen wit geweest laken diende als zonwering. Het tafereel zag eruit of het er al een tijdje stond. Tussen twee bomen zat een touw en aan dat touw bewoog aan een scheerlijn een klein meisje heen en weer. Ze leek zich totaal niet in haar bewegingsvrijheid beperkt te voelen en wij vonden het een uitstekende oplossing, ook voor onze eigen ondernemende dreumes die al vijf minuten na aankomst bovenop een glijbaan klom die niet voor dreumesen bedoeld was. De moeder van Wiesje, zoals het meisje bleek te heten, zat tussen de tenten in een boek te lezen. Verder was er niemand.

De grote trekpleister van de camping is de ligging aan de rivier de l’Oise, op die plaats nog een beek. We liepen er heen met de kinderen en troffen daar nog meer mensen aan: in het diepere deel van het water stonden twee mannen aan een soort bar, met daarop allerlei flessen. Er bleken ook gekoelde dranken te zijn.  ‘Roséetje?’ vroeg René. Dat drankje had ik al jaren niet meer gedronken, rosé was passé. ‘Proef maar,’ zei hij behulpzaam. ‘Het smaakt anders dan je denkt.’ En dat was ook zo.

Deze kennismaking leidde al snel tot een paar dagen met uitbundige feestmaaltijden en de komst van pa en ma, wier 50-jarig huwelijk gevierd werd met het inwijden van het bruidsbed. Ook de rest van de familie, een zus, een broer en zijn vriendin en wat vrienden waren gearriveerd en er zou een barbecue plaatsvinden. Het was warm, René droeg behalve een korte lange joggingbroek waar zijn bruine glimmende buik overheen puilde niets anders dan een machete, om geschikte twijgen voor het maken van brochettes  voor de kinderen af te hakken. Niet alle campinggasten wisten van dit vredelievende voornemen en doken ver achterin hun tent of caravan toen hij vastberaden voorbij kwam stappen.

Wat ik me vooral herinner zijn ongelofelijke lachaanvallen, van die buien waar je bijna niet meer van bijkomt. Manlief herinnert zich vooral met name één enorme kater, waardoor hij zich pas tegen twee uur ’s middags weer in de beek meldde. Toen was juist de waterschoen van Oudste dochter weg gedreven en Man sprak de legendarische woorden: ‘Welke kant uit?’ Overigens vond hij hem wel na diverse manhaftige (denk aan zijn toestand) duiken onder water. Ook stal hij als hydrobioloog de show met het laten zien wat er allemaal voor leven in zo’n beek zit, prachtige libellelarven, vlokreeften en modderkruipers.

Na enkele dagen besloten wij dat het voor onze gezondheid beter was als we doorreisden. Maar ook jaren daarna kwamen we nog regelmatig rond diezelfde periode langs op de camping en was het direct weer feest. Er zijn nog zoveel mooie en vooral komische herinneringen aan onze contacten met de familie Vallentgoed. Mensen die groots en meeslepend leven en waar wij ons als gewone stervelingen even tegenaan schurken, maar dan toch maar gauw weer de veiligheid van het voorspelbare bestaan opzoeken. Manlief is René, ik begreep officieus nachtburgemeester van Leiden, een paar jaar geleden nog eens tegengekomen in die stad. René vertelde toen dat Wiesje biologie is gaan studeren, dankzij diens lessen.

Van de week begonnen we aan de terugweg vanuit Zuid-Frankrijk en ik dacht eraan dat het misschien leuk was nog eens op die camping te overnachten. Ik zocht op FB naar René Vallentgoed en las dat hij op 17 mei is overleden, 63 jaar oud, aan uitgezaaide longkanker. Al die Gitanes hebben dan uiteindelijk hun tol geëisd. Bourgondisch, een enorme lach, een geweldig eigenzinnige humor, hij blijft in ons hart als een man die alles uit het leven haalde en waar we voor altijd warme herinneringen aan bewaren.

René, ik hef het glas – en ik hoef jou niet te vertellen wat erin zit.


maandag 26 februari 2018

Een jaar in Normandië

 In verband met onze (s)emigratie naar Normandië heb ik een nieuw blog geopend:

https://eenjaarinnormandie.blogspot.com

Daar lees je alles over onze avonturen. Dit blog staat op een laag pitje.

zaterdag 9 december 2017

Wat er gebeurt




Hij is er: 

Een verhalenbundel met als thema's verdriet, veerkracht en venijn

Fragment: Wat er gebeurt



...als je de top bereikt.

Ze zijn op 1600 meter vertrokken om naar de top van de Canigou, de heilige berg van de Catalanen van 2784 meter hoog, te klimmen. Emma is haar moeder al snel voor. Ingrid moet echt zo nu en dan even stilstaan, ze is tijdens de slingerende tocht met de 4-wheeldrive onverwacht wagenziek geworden en moet diep ademhalen om haar maag weer tot rust te brengen. Ze zijn niet de enigen die vanmorgen deze klim maken: langs de westkant van de berg, die nu in de schaduw ligt, ziet ze gestaag naar boven klimmende kleine figuurtjes langs de steile flanken slingeren. Emma is haar al veel te ver voor. Als een gems danst ze over het pad, behendig en onverschrokken. Ingrid ziet haar soms op handen en voeten en roept haar naam. Natuurlijk hoort ze haar niet.
Ze probeert er vaart achter te zetten. Langzaam komt ze in een goede loopcadans en kan ze regelmatiger ademhalen. Haar maag doet niet meer vervelend. Ze wordt niet meer steeds ingehaald. Het gaat goed. 

De berg wordt hogerop steeds kaler met angstwekkend steile puinhellingen, waar het pad in uitgesleten is. Ingrid begint weer sneller te lopen. Eén misstap kan fataal zijn. Ze kan het voor zich zien, hoe haar meisje als een beschadigde vlinder onderaan de helling ligt, haar lange blonde haar in een waaier om haar hoofd. Omdat ze nu aan de achterkant van de berg is ziet ze haar helemaal niet meer. Maar opeens is ze er weer, haar rode korte broekje als een dansende stip tegen de donkere berg. Er loopt iemand bij haar, het lijkt erop of ze samen praten. Ze staan even stil, ze wijst. Ingrid zwaait. Ze zwaait terug. De vrouw bij haar zwaait ook, op een manier die haar geruststelt. Haar tocht duurt nog bijna een uur maar na nog een paar korte, loodzware klimmetjes arriveert ze op de top. Er zijn daar een heleboel mensen, dat valt haar tegen. Het waait er heel hard, de zon brandt. Ze ziet Emma met de vrouw op een rotsblok zitten. Ze moet zich bijna door de menigte heen worstelen om bij hen te komen.

‘Dag mam, ben je daar eindelijk,’ Emma lacht. De vrouw naast haar draait zich ook naar Ingrid om. Verbijsterd kijken ze elkaar enkele seconden aan.
‘Josien?’
‘Ingrid’. Ze heeft haar naam onthouden. Bliksemsnel heeft haar verbaasde blik plaatsgemaakt voor een andere. Ze kijkt Ingrid vriendelijk glimlachend aan. Maar Ingrid voelt de blos die over haar gezicht schiet en ze kijkt weg, alweer.
‘Kennen jullie elkaar?’ Emma kijkt de vrouwen beurtelings aan.
‘Van vroeger,’ zegt Josien. ‘Van heel lang geleden.’ Ze lacht naar Emma. Ze maakt een volkomen ontspannen indruk. Ze zal het toch niet vergeten zijn?
‘Waren jullie vriendinnen!’ Emma lacht.
‘Eh…we zaten bij elkaar in de klas,’ zegt Ingrid.

In ieders leven komt het voor dat je onverwacht iemand uit je verleden ontmoet, op een brug in een Oostenrijks stadje, in de trein onderweg naar Berlijn. Bijna altijd is het een ontmoeting waar je later met plezier aan terugdenkt. Hoe verrassend was het je oude leraar Geschiedenis op de veerpont naar Terschelling of het meisje waar je ooit mee gekust hebt op de markt in Syracuse nog eens weer te zien! Wat kun je daar gelukkig van worden, even terug in je verleden te zijn, de lucht van warme perziken te ruiken, de warmte van die dag als een deken om je heen te voelen.

Zo’n aangename verrassing was dit niet.


Meer lezen? 'Wat er gebeurt' is nu verkrijgbaar bij boekhandel en bol.com en  je kunt 'm ook bij mij bestellen voor een gesigneerd exemplaar via  (€ 20 euro incl. verzending)