vrijdag 12 juni 2015

Nooit meer, toch?

Nooit meer, toch?


Dat ik mezelf, ondanks mijn stellige voornemen er hélemaal mee op te houden, vanmiddag toch weer terugvond in de moestuin is gewoon de schuld van dat lapje grond zelf. 

Na de winter lag het er troosteloos bij. Er waren wat kruiwagens paardenmest overheen gestort en overal lagen ‘ingekuilde’ aardbeiplanten.  Het kweekgras stak alweer voorzichtige sprietjes boven de aarde . Voordat we op vakantie gingen zaaide ik in de laatst overgebleven palletplantagebak zonnebloemen, Cosmea en eenjarige phloxen. En in de moestuin zaaide ik met gulle hand papavers en wilde bloemenmengsels. Het zou een bloemenzee worden, daar.

Toen we terugkwamen stond de hele voormalige moestuin vol met al stevige aardappelplanten. De aardbeiplanten hadden zich tegen mijn onverschilligheid verzet en waren  tot grote pollen uitgestoeld. Van het wilde bloemenmengsel zag ik niks terug, wel kwamen er wat pietepeuterige papavertjes op. Ik zag dit alles met gemengde gevoelens aan. De aardappels waren afgelopen zomer dus duidelijk erg slordig gerooid.  Natuurlijk stond alles door elkaar en was er ook een heel stuk leeg. Ik bedacht dat ik daar dan nog wel wat bonenplanten neer zou kunnen zetten, nadat ik die eerst had voor gezaaid in een bak. Verse sperziebonen behoren tot mijn favoriete voedsel.  Op zoek naar boontjes vond ik ook nog een zakje peulenboontjes. Op een regenachtige middag stopte ik ze in de grond. En omdat verse sla en rucola ook altijd erg lekker zijn zaaide ik die ook nog maar even. En de week daarna nog een keer.

Nu had ik een paar jaar geleden een stukje beplant met frambozen, bessen en kruisbessen, tot nu toe zonder veel vrucht. Tot mijn verbazing zat de kruisbes tot z’n in de toppen van zijn takken vol bessen en ook de frambozen zagen er veelbelovend uit. Dus ook hier maar weer eens huisgehouden, brandnetels en hoog opgeschoten gras ertussen uit getrokken en de frambozentakken waar niks aan zit eraf geknipt.


Hoofd Komkommertijd had vorig jaar een overvloedige komkommeroogst en wilde dat nog wel een keer. Na enig onderhandelen beperkten we ons dit keer tot twee planten én een courgette. Voor deze kant en klaar gekochte planten maakten we een lekker bedje met een kruiwagen paardenmest en compost. Een flinke hoop versgemaaid gras eromheen tegen de slakken en meer kunnen we niet doen.

Wat zou er eigenlijk van al die AH Moestuintjes zijn  geworden? Waar ze op de vensterbank stonden  zag ik doorgaans pierige plantjes waarvoor de interesse al snel verdwenen was. AH lacht vast in zijn vuistje: zo gemakkelijk is het dus niet, je eigen groente kweken in je eigen moestuin. 

Behalve als die zelf het heft in handen neemt. Inmiddels staan de peultjes in de volle grond, keurig langs een lijntje. De aardbeien dragen vrucht, de aardappels staan er prachtig bij. En zo ben ik toch weer moestuinvrouw geworden. En ik vind het gewoon weer hartstikke leuk (en lekker)!






donderdag 4 juni 2015

De Bonte Kraai





Jaren geleden gingen Hopperhoofd, jongste dochter en ik naar Skyros, een tamelijk ‘onbedorven’ Grieks eiland op vakantie in mei. Aangezien de aanvliegroute van dat eiland nogal ingewikkeld is maakten we twee keer een doorstart, om vanaf de andere kant uiteindelijk veilig te landen. Medereizigers, twee middelbare stellen  achter ons waren het met deze gang van zaken niet zo eens en moesten er erg van overgeven. Vanaf het vliegveld werden we per bus naar de diverse onderkomens gebracht en wij troffen het  dat de Kotsers, zoals we ze inmiddels genoemd hadden, weer achter ons zaten.  We hoopten dat ze niet ook last hadden van wagenziekte. Maar nee: het bleek dat ze al snel voldoende afleiding hadden: ‘Kijk, ik zie een bonte kraai! Wat, twee bonte kraaien, nee maar, wat zeg ik , een heleboel bonte kraaien’. Dochter, niet echt op de vogelaarsleeftijd, kreeg er de slappe lach van. En deed weldra heel solidair mee: ‘Kijk! Ik zie een meeuw! Nee, twee meeuwen! Nou kijk mam, een heleboel meeuwen!’




Al snel bleek dat er op het eiland eigenlijk weinig anders te beleven viel dan vogels kijken  en dat mensen er ook speciaal daarvoor naartoe gingen, wisten wij veel want wij waren geen vogelaars. De nationale vogel daar is de Hop. Dus tja, die wilden wij dan toch ook wel eens zien. We hadden een klein autootje gehuurd en hobbelden daarmee over de vele onverharde wegen op het eiland. We picknickten in een olijvenboomgaard en toen opeens, net toen we eigenlijk niet echt zaten op te letten, vloog er iets door de bomen dat verdacht veel weg had van een Hop. En toen was de beer los. Hopperhoofd zou en moest die Hop toch echt nog eens helemaal zien. Dus reden we uren stapvoets turend door de verrekijker langs typische Hop-biotopen en zagen er geen één. Dochter achterin keek zuchtend en met haar ogen draaiend de andere kant uit en wees ons terloops op een vogeltje dat vlak langs het pad op een paaltje zat. ‘Kijk een steenuiltje… wat zeg ik nou…!’ riep ze vertwijfeld uit. In een baaitje troffen we de Kotsers hetgeen haar plots actief naar Bonte Kraaien deed uitkijken. Zo vermaakte ze zich toch nog een beetje.



Sindsdien lopen (en vliegen) Bonte Kraaien als een rode draad door onze vakanties. We verzamelen nagenoeg niets, maar inmiddels hebben foto’s van Bonte Kraaien in Ierland, Rome, Sicilië, Andalusië, Zuid-Frankrijk, Wenen en Schotland en Isle of Skye. Het kind is daar nooit meer bij, maar we sturen haar dan een Whatsappje met ‘Kijk, ik zie een bonte kraai!’ en een foto als bewijs. En wij weten dan natuurlijk dat er minstens twee, zo niet een heleboel bonte kraaien te zien waren. En die Hop: die hebben we op Skyros nooit meer gezien. Wel onlangs in Spanje, maar dat spannende verhaal staat in een vorige blog.


vrijdag 29 mei 2015

Doden in het bos





Het IJssellandschap wil op 't Hemeltje (hoe toepasselijk) in Bathmen een natuurbegraafplaats aanleggen. Op het kaartje in de krant was te zien dat ze dat precies tussen de paden waar wij met de honden lopen willen doen. Als ik het goed begrepen heb worden de overledenen op willekeurige plekken in de grond gestopt en is er na enige tijd  niets meer van te zien waar ze liggen, want er komt geen steen of struik ter nagedachtenis op of zo. We hebben het hier over uiteindelijk 6000 graven! Op dat kleine stukje? En als je dan niks meer van zo’n graf ziet, hoe weten ze dan…..brrr.  Het IJssellandschap hoopt daar 3500 euro per dode voor te vangen. Het aardse slijk, zeg maar. Hoe natuurlijk dat is, is nog maar de vraag, want de meeste mensen gaan niet gezond dood en je weet niet hoeveel chemisch afval er in de grond terecht komt.

De bosbegraafplaats blijft gewoon wandelgebied, want, zo zegt een woordvoerder van het IJssellandschap, mensen vinden het op een gewone begraafplaats ook helemaal niet eng. 
Dat zal wel zo zijn, maar ik zeg toch niet tegen mijn hondjes, kom meisjes, we gaan vanmiddag een frisse neus halen op de begraafplaats in bijvoorbeeld Bathmen! Het wandelt niet echt ontspannen als je de kans loopt op een treurende menigte te stuiten. En om er niet de hele tijd aan proberen te denken, aan al die rottende skeletten onder de grond en die maden  enzo. En miasma (dank Reina voor dit argument).


De meeste buren van de begraafplaats i.o. zijn tegen. Ze voorzien niet zo zeer overlast van de overledenen, als wel van hun aanhang. Drie per week een teraardebestelling, wordt ingeschat.  Overigens is aan mij, als toekomstige dode,  niet gevraagd of ik in het bos ter ruste gelegd wil worden. Ik vraag mij dus af of er marktonderzoek gedaan is, want wie willen er in die 6000 graven liggen? 

Mijn advies voor het IJssellandschap: doe maar niet. Bathmenaren hebben in het (recente) verleden bewezen geduchte – en succesvolle – tegenstanders te zijn. Dezer dagen komen er petities in omloop waarop u uw handtekening kunt zetten. We hopen dat u tekent voor levende natuur. Niet voor dode. 

zaterdag 16 mei 2015

In Spanje II


Vanuit  Toledo is de bestemming Soria om dan via de westelijke Pyreneeën weer terug te keren in Frankrijk. We rijden voorbij Madrid, waar we niet ontkomen aan vier prestigieuze wolkenkrabbers, elk met hun eigen architect en bijbehorende signatuur. Een uur later, tijdens een koffiestop zien we ze nog steeds, landmarks tegen een nevelig blauwe hemel.

We klimmen langzaam omhoog, het landschap onveranderd dor en stuurs. Wel verbaast het ons dat er nog nauwelijks blad aan de bomen zit, hier. De temperatuur daalt ook naar een graad of veertien. Nu heb ik wel gelezen dat de Midden-Spaanse hoogvlakte zich kenmerkt door een landklimaat met uitzonderlijk koude winters en korte, hete zomers, maar kennelijk was het niet tot me doorgedrongen dat het over dit gebied gaat.


Als we een rondje op de uitgezochte camping gereden hebben weten we het zeker: hier gaan we onze tent niet opzetten. Behalve is de kou is de aantrekkingskracht van  het bij elkaar geraapt zootje schots en scheef opgestelde tenten en caravans, bedekt met blauwe en groene zeilen miniem. We rijden door naar de volgende op het lijstje, die bij Soria, maar die blijkt onderlangs de snelweg te liggen.
We zijn het snel eens over onze volgende bestemming: terug naar Alquézar, waar alles nu opeens nog mooier lijkt dan toen we er de eerste keer waren. We rijden door de Rioja, zien de temperatuur stijgen naar 28 graden en staan om een uur of zeven weer op nr. 88. Met nog steeds niemand om ons heen.



We hebben daar nog een paar mooie dagen. Nu we er wat meer moeite voor doen ontvouwt het gebied zich en toont zijn grootse schoonheid.  De Grand Canyon in Europa. Een dag later, onderweg naar Naval om daar inderdaad authentiek Spaans aardewerk te kopen en naar de zout delving te kijken, ontwaar ik een clubje Vale Gieren op de nok van een schuurtje en als Hoofd Vogelaar er een dag later ook nog in slaagt een hop te fotograferen kan de vakantie natuurlijk al bijna niet meer stuk.


Om de tent niet voor één nacht te hoeven opzetten besluiten we de laatste dagen van de vakantie door te brengen in de Dordogne op dezelfde camping als vorig jaar, La Plage in Vézac. Dus pakken we op een warme ochtend de hele boel weer op en rijden de mooie weg via Barbastro, L’Ainsa en door de tunnel bij Bielsa terug door de Pyreneeën.




Dus dat was Spanje in onze notendop.  De heel bijzondere sfeer daar heeft waarschijnlijk ook alles te maken met de rust en het gebrek aan mensen en verkeer. De rare, nutteloze autosnelweg die is aangelegd tussen Lleisa en Huesta (maar daar 10 km van tevoren gewoon zomaar in de wereld ophoudt), de Supermercado’s met aangenaam veel minder keus dan de grote Franse, de lage prijzen,  de halflege dorpen die op aandoenlijke wijze proberen graantjes toerisme mee te pikken,  de ooievaarsnesten op de kerktorens, het altijd licht vervreemdende van mensen die een taal spreken die je niet kunt verstaan maar met wie je wel contact maakt met ogen en gebaren.





Alquézar ziet ons vast nog wel eens weer. In mei. Al was het alleen al om de nachtegalen.

donderdag 7 mei 2015

In Spanje I


Zodra je de Pyreneeën over bent, in dit geval door de tunnel van Bielsa, ben je in een andere wereld. Andere vegetatie, stof. Het heeft iets weg van Arizona of New Mexico.  En dan is dit nog Noord-Spanje, waar het aan de akkers te zien toch nog wel de moeite waard is iets te zaaien wat ook te oogsten valt.



We blijven eerst een paar dagen op de camping in Alquezar. Het is weekend en best druk op de camping. Nadat we eerst twee keer naar een plek zijn gewezen waar onze combinatie Caddy + aanplaktent niet past, belanden we op plaats 88. Hier zijn we tamelijk ver weg van bijna alles, zeker op maandag, wanneer iedereen weer naar huis gaat. Voor de honden is dat fijn, die mogen dan ook zo nu en dan eens even lekker los lopen. Op de camping tieren de nachtegalen welig: hun oorverdovend gezang gaat dag en nacht door. Dat moet je natuurlijk prachtig vinden. We gaan een dagje toeren in het natuurpark van Guara en spotten op één dag de meeste soorten vogels ooit. Zal het dan hier in Spanje dan toch eindelijk gebeuren dat we echte vogelaars worden? Maar de weergaloos mooie Hop, de prachtige Rode Wouw, de sierlijke bijeneters met hun melodieuze zang, de majestueuze gieren en de steenarend en natuurlijk de onvolprezen wielewaal: die wil iedereen wel zien, toch?


( Die zwarte spikkels zijn gieren)






We breken de boel weer op en rijden naar Toledo. De weg er heen is niet bijzonder boeiend. Het Spaanse landschap is vooral veel van hetzelfde: olijf- en amandelboomgaarden, dorre hellingen met bossige vegetatie of grotendeels kaal. Op de snelweg rijdt niet veel verkeer, daarom is het des te verbazingwekkender dat er om de vijf kilometer een uitspanning is. We stoppen er bij één op de parking om de honden even uit te laten en verbazen ons weer eens over de onverschilligheid waarmee de bewoners van Zuid-Europa met hun omgeving omgaan. We hebben het overal gezien, in Griekenland, Italië: wil je je koelkast of je dooie geit kwijt, dump hem maar over een richel, dan ben jij ervan af.


Toledo dient zich aan, schitterend gelegen op een heuvel in het omringende Italiaans aandoende landschap. Hier stroomt de rivier de Taag, waardoor alles groener is. We komen via een heuse oprijlaan op de deftige camping aan waar voor iedereen een beschaduwd hokje van 60m2 beschikbaar is. Veel forse campers, natuurlijk. En magere katten, waar onze dames luid en duidelijk niets van moeten hebben. We drinken wijn en bier en eten tapas in La Olivilla, een tentje aan de weg richting stad. Het restaurant bij de camping is te chique voor bij een camping.


De volgende ochtend zetten we de auto in een parkeergarage in het centrum en kunnen de hondjes koel in de auto blijven. Het is nog vroeg en de levendige stad dient bevoorraad te worden. Met enige regelmaat drukken wij ons plat tegen een gevel omdat er een auto langs moet, tot in de nauwste straatjes manoeuvreren bestelbusjes met uiterste precisie langs de eeuwenoude muren. De kathedraal is zonder twijfel prachtig. Even aarzelde ik in het kader van: ik heb ze wel gezien, kathedralen, maar ik heb er geen spijt van. En zo vroeg in het seizoen is het niet vreselijk druk. Wel duizend Chinezen, die met hun smartphones op sticks alles filmen zonder ergens naar te kijken.




We halen de honden uit de auto en lunchen heerlijk op een terras. Twee uitermate chagrijnig kijkende oudere toeristes schuiven aan een tafeltje naast ons aan. De goedgemutste ober trekt met duim en wijsvinger zijn eigen mondhoeken omhoog. De boodschap komt niet echt over, de dames kijken nu verontwaardigd. Ze hoeven alleen maar soep en water. Hij raadt ze de gazpacho aan: het verbaast me niet dat ze als ze ervan beginnen te eten elkaar boos aankijken: deze soep wordt koud geserveerd. We wandelen nog een uurtje door de stad en vinden dan probleemloos de parkeergarage weer terug.

De volgende ochtend vroeg keren we nog een keer terug om de Romeinse baden en de tentoonstelling over de Visigoten te bekijken. Een gedienstige beambte komt zijn hokje uit om ons uit te leggen hoe je een kaartje voor die tentoonstelling uit een machine moet trekken nadat je daar een euro per kaartje voor hebt ingestopt en na enkele minuten hebben we dat gezamenlijk voor elkaar. Hij gaat weer achter zijn loket zitten om de volgende bezoekers op te wachten. De tentoonstelling is in één van de vele kerken die Toledo rijk is en we mogen ook helemaal in de toren klimmen.


We drinken koffie in een tent waar vooral mensen uit het centrum komen en waarvan de eigenaar geroutineerd iedereen tegelijk van zijn of haar favoriete soort koffie voorziet. We kopen mazapan en gaan dan maar eens een middagje chillen op de camping. In de schaduw. 27 graden. Heerlijk.




zondag 22 maart 2015

Klaar met de moestuin







Het is vreemd dat net wanneer werkelijk iedereen los gaat op moestuintjes ik er het bijltje grotendeels bij neergooi. De twee grootste palletplantages waar ik op stahoogte aan moestuinierde zijn afgebroken, het stuk tuin dat  in gebruik was als moestuin wordt binnenkort geëgaliseerd en ingezaaid met wat voor bloemenmengsel ik maar te pakken kan krijgen. Het waren vele mooie en leerzame jaren, maar ze liggen nu, in ieder geval voorlopig, achter me. We gaan dit voorjaar lekker een paar weken op vakantie. 


Want zo is dat:  wil je moestuinieren, dan moet je thuisblijven. En ik ben nog iets te ondernemend om het hele voorjaar thuis naar de grond te gaan zitten staren dan wel er in te wroeten.
Maar helemaal niks is natuurlijk ook niet wat. Dus als ik weer terug ben ga ik zoals al twintig jaar  diverse soorten sla verbouwen, misschien nog wat sperziebonen zaaien en een veldje aardappels poten. Lente-uitjes, rode uien, spul dat vanzelf gaat (als je geen uienvlieg krijgt). Dingen die het gewoon vanzelf doen zonder voortrekken, uitdunnen, spenen, afharden, uitplanten, bijhouden, opbinden, afknippen, onkruid wieden, ontluizen, slakken vangen, dieven, watergeven, rupsen verwijderen, bemesten en als je dat állemaal gedaan hebt: oogsten en verwerken en dan na een jaar in de kliko gooien. Omdat ingemaakte komkommers vies en slijmerig worden, ingevroren sperzieboontjes taai en de geweckte aardappels zuur en mensen wat pijnlijk beginnen te kijken als je wéér aankomt met een eigengemaakt jammetje.

Maar om nou te zeggen, dat dat beetje een moestuin is....Sla zaai ik op regels, elke week een regel en in het supergroeiseizoen, half mei – juni zelfs met nog kortere tussenpozen. En opeten als het klaar is. Kijk, dan blijft het leuk en overzichtelijk. En supervers: want eten uit eigen tuin blijft gewoon het allerlekkerst. En ik houd úren tijd over. Waar zal ik die nu eens voor gaan gebruiken?

dinsdag 24 februari 2015

Veertjes





Een paar jaar geleden werd ik Plus-abonnee. Ik kreeg nog net geen geld toe, maar werd overstelpt met cadeaus. Allerlei extra bijlagen, een Geldgids en als klap op de vuurpijl: een litsjumeaux dekbedovertrek. Ik had er wel een plaatje van gezien in het blad, maar toen ik hem daadwerkelijk kreeg, bleek het een domper. Erger nog, ik kreeg akelige associaties bij het zien van het grijze overtrek dat gedessineerd was met donzige veertjes. Ik zag mezelf in een kamertje in een bejaardentehuis als grijs, witharig vrouwtje met knokige handjes de bovenrand van het dek omklemmend. Brrr. Ik houd nu eenmaal van kleur, ook in de slaapkamer. Gezellige streepjes, een effen donkerrood overtrek, de lentebloemetjes van Ikea: ik kan wel echt blij worden van een mooi opgemaakt bed.

Ik besloot het dekbedovertrek te laten voor wat het was en bij geval eens iemand cadeau te geven. Maar dat stuitte meteen op het volgende probleem: aan wie? Ik bood het aan mijn Franse schoonzus aan, zij schudde bedenkelijk van nee. Ook aan andere vriendinnen kon ik het niet slijten, ik bleek niet de enige met deze morbide associatie!  ’Wil je me dood hebben,’ was nog misschien wel de vriendelijkste afwijzing.  ‘Misschien kun je ’t verven,’ stelde een creatieve collega me voor (ik had het overtrek ten einde raad meegenomen naar de zaak om er daar iemand blij mee te maken). Dat nam ik in overweging, maar toen ik had gezien hoeveel verpakkinkjes verf ik dan nodig had besloot ik van dat idee af te stappen.


Inmiddels  was het overtrek al half Europa door gereisd. Het was mooi geweest. Bij de volgende lading voor het Goed zat een nagelnieuw dekbedovertrek. ‘Wat een fleurig motiefje!’ riep de behulpzame employee gemeen. ‘Slaap lekker!’ riep ik hem toe. Ik was ervan bevrijd en voelde me zo licht als een veertje.